Belanghebbende had een lening van €300.000 verstrekt aan zijn vennootschap [X] Beheer BV voor de aankoop van een 12,5%-belang in [A] Beheer BV. De Inspecteur weigerde de aftrek van de afwaardering van deze lening in de inkomstenbelasting 2008, stellende dat het een onzakelijke lening betrof.
De Rechtbank Arnhem had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd. De Inspecteur ging in hoger beroep en betoogde dat de lening onzakelijk was, mede vanwege het ontbreken van zekerheden, het geringe eigen vermogen van de vennootschap, de afhankelijkheid van dividenduitkeringen en het feit dat de lening volledig met vreemd vermogen was gefinancierd.
Het Hof bevestigde dat de lening onzakelijk was omdat geen onafhankelijke derde onder dezelfde voorwaarden een dergelijke lening zou verstrekken. De risico's lagen bij belanghebbende als aandeelhouder, en er was geen sprake van een zakelijke rente. Daarom was de afwaardering niet aftrekbaar. Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd.
Het Hof zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en wees partijen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad.