Uitspraak
[appellante],
[appellante],
[geïntimeerde],
[geïntimeerde],
Ten aanzien van de verklaring van [getuige 1] als partijgetuige geldt dat die verklaring omtrent door [geïntimeerde] te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring van [getuige 1] strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De beperking van de bewijskracht van de verklaring van de partijgetuige geldtniet als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995,
LJN:ZC1688).
[appellante] verklaring is ook niet eenduidig op het punt van de datum van (ontvangst en verzending van) de fax van de fabrikant van de RVS plaat. Het verzendbericht op de door [appellante] overgelegde faxbrief - 'woensdag 13 november 2006' - is bovendien aantoonbaar onjuist, nu de bewuste datum op een maandag viel.
Daarbij komt dat de verklaring van [appellante] wordt weersproken door de verklaringen die zijn afgelegd door [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] zijn consistent en stemmen op essentiële onderdelen overeen met de verklaring van [getuige 1]. Bovendien stroken alle drie de verklaringen met de inhoud en het tijdstip van verzending van de faxberichten die [getuige 1] op 13 november 2006 aan [appellante] heeft gestuurd.
Deze aanvullende bewijzen maken de verklaring van [getuige 1] als partijgetuige naar het oordeel van het hof voldoende geloofwaardig. De verklaring van [getuige 1] is bovendien - anders dan de verklaring van [appellante] - in lijn met hetgeen [geïntimeerde] eerder ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft verklaard.