Uitspraak
1.[appellante 1],
[appellanten],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
grief Ivoert [geïntimeerde] in appel een nieuw verweer, te weten een beroep op verjaring. Daartoe stelt [geïntimeerde] dat de onderhavige vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatig gelegd beslag op grond van artikel 3:310 BW Pro verjaart vijf jaar na de dag waarop de beslagene zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens [geïntimeerde] was [appellanten] aanstonds bekend met de aansprakelijke persoon na het leggen van het beslag op 2 oktober 2010. [geïntimeerde] stelt verder dat zij eerst op 8 juli 2010 door de advocaat van [appellanten] aansprakelijk is gesteld. Hieraan verbindt [geïntimeerde] de conclusie dat de rechtsvordering met betrekking tot schade geleden in de periode voor 8 juli 2005 is verjaard.
grieven III en IVkomen op tegen de overweging van de rechtbank dat [geïntimeerde] ook aan de hand van de criteria voor misbruik van recht aansprakelijk is uit onrechtmatige daad en de voor dit oordeel gegeven motivering. In de toelichting op de grieven wordt aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de rechtbank ten onrechte niet centraal heeft gesteld of [geïntimeerde] het beslag en de bankgarantie heeft gehandhaafd met geen ander doel dan [appellanten] te schaden.
grief Vheeft [geïntimeerde] gezien het vorenstaande geen belang.