In deze civiele zaak staat centraal de ontbinding van een opleidingsovereenkomst tussen een leerling en een vliegopleidingsbedrijf. De leerling heeft slechts de eerste fase van de opleiding doorlopen zonder succes en heeft de daaropvolgende fases niet gevolgd. Hierdoor is de overeenkomst ontbonden en ontstaat een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties.
Het hof stelt vast dat de leerling recht heeft op terugbetaling van het deel van het lesgeld dat betrekking heeft op de niet gevolgde fases twee tot en met vijf. Voor de reeds genoten opleiding, fase één, geldt dat deze niet ongedaan kan worden gemaakt, maar daarvoor dient een vergoeding te worden betaald die gelijk is aan de waarde van de geleverde prestaties op het moment van ontvangst.
De hoogte van het terug te betalen bedrag wordt deels bepaald door het niet volgen van de latere opleidingsfasen en deels door de waarde van de reeds gegeven vlieguren en simulatorlessen. Hoewel het bedrag voor de geleverde lessen vaststaat, is het hof niet in staat om de opgegeven overheadkosten die het opleidingsbedrijf maakte tijdens fase één op juistheid te beoordelen. Daarom zal het hof een begroting ex aequo et bono toepassen.
Het hof gelast een comparitie van partijen om standpunten toe te lichten, aanvullende inlichtingen te verkrijgen en een mogelijke schikking te beproeven. Tevens wordt bepaald dat schriftelijke stukken die tijdens de comparitie worden aangevoerd tijdig aan de wederpartij en griffie moeten worden verstrekt.
Het arrest is gewezen door de kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 5 november 2013 en betreft een gedetailleerde beoordeling van de terugbetalingsverplichting na ontbinding van een opleidingsovereenkomst.