In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 november 2013 uitspraak gedaan in hoger beroep over een geschil tussen appellant en ING Bank N.V. betreffende een doorlopende kredietovereenkomst uit 1996. Appellant betwistte onder meer de opeisbaarheid van het krediet en voerde verjaring aan.
Het hof stelde vast dat appellant gedurende langere tijd nalatig was in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen, waardoor ING hem terecht in gebreke had gesteld en het krediet opeisbaar was geworden. De door appellant verrichte betalingen werden door het hof aangemerkt als erkenning van het recht van ING, waardoor het beroep op verjaring faalde.
Verder oordeelde het hof dat de rentevordering van ING beperkt moest worden tot de wettelijke rente na opeisbaarheid, omdat niet was aangetoond dat de algemene voorwaarden van toepassing waren. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, vernietigde het vonnis van 21 november 2012 voor zover contractuele rente was toegewezen, en veroordeelde appellant tot betaling van het openstaande bedrag vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.