ECLI:NL:GHARL:2013:9772

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 december 2013
Publicatiedatum
19 december 2013
Zaaknummer
200.125.871
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:400 lid 1 BWArt. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie wegens gewijzigde draagkracht na samenwonen met nieuwe partner

De man en vrouw zijn gezamenlijk ouders van twee minderjarige kinderen. De rechtbank had eerder bepaald dat de man een bijdrage moest leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man ging in hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om de alimentatie per 1 januari 2012 op nihil te stellen.

Het hof constateert een relevante wijziging van omstandigheden, omdat de man is gaan samenwonen met een partner die niet in haar levensonderhoud kan voorzien en de woonlasten van de man zijn gewijzigd. De man heeft een bruto inkomen van circa €2.383 per maand, met diverse lasten zoals hypotheekrente en verzekeringen. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering en vormt met de kinderen een gezin.

Het hof houdt bij de draagkrachtberekening rekening met de wettelijke voorrang van kinderen op andere onderhoudsgerechtigden en past de zogenaamde tenzij-regel toe. Gezien medische verklaringen en een brief van de sociale dienst is vastgesteld dat de nieuwe partner van de man niet kan werken en volledig ten laste van hem komt. Hierdoor wordt rekening gehouden met de norm voor een gezin en een draagkrachtpercentage van 45.

Op grond van deze omstandigheden oordeelt het hof dat de man vanaf 1 januari 2012 geen draagkracht meer heeft voor kinderalimentatie. De bestreden beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en de alimentatie wordt op nihil gesteld, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt met ingang van 1 januari 2012 op nihil gesteld wegens gewijzigde draagkracht van de man en de financiële situatie van zijn nieuwe partner.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.125.871
(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, 233358)
beschikking van de familiekamer van 19 december 2013
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 30 januari 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 25 april 2013;
- een brief van mr. J. Welles van 18 juni 2013, ingekomen op 19 juni 2013, waarin mr. Welles meedeelt hij in dit hoger beroep niet als advocaat voor de vrouw optreedt.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2013 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3.De vaststaande feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [kind 1], op [geboortedatum] 2003, en
- [kind 2], op [geboortedatum] 2005,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2
Bij beschikking van 9 september 2008 heeft de rechtbank Arnhem bepaald dat de man met ingang van 11 maart 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 100,- per kind per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van
1 januari 2012 ingevolge de wettelijke indexering € 108,64 per kind per maand.
3.3
De man, geboren op [geboortedatum] 1980, is in november 2011 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [A], geboren op [geboortedatum] 1963
(verder te noemen “[A]”), die geen ander inkomen heeft dan de algemene heffingskorting.
Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties van oktober 2012 tot en met december 2012 en februari 2013 tot en met april 2013 € 2.383,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt hij een eindejaarsuitkering van
€ 2.239,08 bruto (salarisstrook december 2012) en een belaste bijdrage in de ziektekosten van, volgens de salarisstroken over oktober 2012 tot en met december 2012, € 19,97 per maand en van € 13,33 per maand volgens de salarisstroken over februari 2013 tot en met april 2013.
3.4
De lasten van de man bedragen per maand:
- € 548,66 aan hypotheekrente;
- € 97,42 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;
- € 32,69 aan premie risicoverzekering;
- € 95,- aan overige eigenaarslasten;
- € 146,90 aan ziektekosten in 2013:
- € 98,90 premie basisverzekering ZVW,
- € 48,- premie aanvullende verzekering,
- € 60,- aan kosten omgangsregeling.
Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 948,- per jaar.
3.5
De vrouw, geboren [geboortedatum] 1977, vormt met de kinderen van partijen een gezin.
Zij ontvangt een bijstandsuitkering.

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man die bijdrage met ingang van 1 januari 2012 nader vast te stellen op nihil, afgewezen.
4.2
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 30 januari 2013. De grieven zien op zijn draagkracht. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog toe te wijzen zijn inleidend verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie per 1 januari 2012.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Omdat gebleken is dat de man andere woonlasten heeft gekregen en is gaan samenwonen met een partner die niet in haar levensonderhoud voorziet, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.
5.2
De man betwist niet dat behoefte bestaat aan de vastgestelde bijdrage in de kosten verzorging en opvoeding van de kinderen, maar stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om die bijdrage te betalen. De vrouw betwist dat.
5.3
Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.3 en 3.4 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.
5.4
Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met de op de salarisspecificaties vermelde pensioenpremie(s), alsmede met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en tot 2013 de door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
5.5
Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW Pro voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen. Het hof houdt gegeven deze voorrang rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met artikel 1:400 lid 1 BW Pro aanbevolen draagkrachtpercentage van 70, maar niet met de kosten van levensonderhoud van de nieuwe partner van de onderhoudsplichtige man, tenzij de man feiten en omstandigheden stelt en in geval van betwisting door de vrouw aannemelijk maakt op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat toepassing van deze regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
5.6 Het hof is van oordeel dat het beroep van de man op voormelde tenzij-regel in dit geval opgaat. Uit de in hoger beroep door de man overgelegde brief van de revalidatiearts
dr. A.H.M. Wolswijk van 25 maart 2013 en de brief van de verpleegkundig specialist GGZ,
M. Blijlevens van 15 april 2013, die door de vrouw niet zijn betwist, blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat [A] niet in staat is tot het verrichten van betaalde arbeid. Voorts is gebleken dat de Regionale Sociale Dienst te [woonplaats] de man bij brief van
19 juli 2012 heeft gemeld dat deze dienst heeft besloten de kosten van de uitkering als gevolg van de Wet werk en bijstand ten behoeve van de vrouw voorlopig, wegens het ontbreken van financiële draagkracht aan de zijde van de man, niet op hem te verhalen. De man heeft op grond van al deze feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat [A] door omstandigheden buiten haar wil niet in eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zij geheel ten laste van de man komt. Dit betekent dat het hof rekening houdt met de norm voor een gezin en het daarbij behorende percentage van 45. Daarnaast houdt het hof rekening met de volledige woonlasten van de man, met de premie basis- en de aanvullende premies ZVW van [A] van
totaal € 164,65 maand, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van een echtpaar van € 93,- per maand en de zorgtoeslag van € 1.409,- per jaar.
5.7
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man met ingang van 1 januari 2012 geen draagkracht meer voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van
30 januari 2013, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 9 september 2008 en stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen [kind 1] en [kind 2] met ingang van 1 januari 2012 vast op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, M.L. van der Bel en
C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, en is op 19 december 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.