ECLI:NL:GHARL:2013:BY9374

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.118.917/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 512 SvArt. 515 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in WAHV-zaak wegens ontbreken van vooringenomenheid

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. E. de Witt, rechter in een WAHV-zaak, wegens vermeende onvoldoende kennis van het bestuursrecht en vermeende partijdigheid tijdens de zitting. Verzoeker stelde dat de advocaat-generaal ten onrechte mondeling mocht reageren zonder voorafgaand verweerschrift en dat hij zelf werd onderbroken en gecorrigeerd terwijl de advocaat-generaal dat niet werd.

De wrakingskamer heeft het verzoek ontvankelijk verklaard, maar bij de beoordeling geoordeeld dat de gronden van verzoeker geen aanwijzingen geven voor vooringenomenheid of de schijn daarvan. De rechter heeft volgens het hof adequaat leiding gegeven aan de zitting en het beginsel van hoor en wederhoor gerespecteerd. Het feit dat verzoeker niet gevolgd werd in zijn interpretatie van het bestuursrecht vormt geen grond voor wraking.

De wrakingskamer concludeert dat de rechter onpartijdig heeft gehandeld en dat verzoeker zijn standpunt voldoende heeft kunnen toelichten. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen en de beschikking is op 17 januari 2013 uitgesproken door de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. E. de Witt wordt afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Beschikking d.d. 17 januari 2013
Rekestnummer 200.118.917/01
WAHV [nummer]
HET GERECHTSHOF TE ARNHEM-LEEUWARDEN, vestiging Leeuwarden
Wrakingskamer
Beschikking in de zaak tegen
[verzoeker]
wonende te [adres],
verzoeker in het wrakingsincident,
strekkende tot wraking van:
mr. E. de Witt
raadsheer in dit hof,
verweerder in het wrakingsincident.
Het verloop van de procedure
In de WAHV-zaak met parketnummer [nummer] heeft de enkelvoudige kamer van het voormalige hof Leeuwarden, bestaande uit mr. E. de Witt, op 5 december 2012 zitting gehouden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken. Na sluiting van het onderzoek op die terechtzitting en vóór de uitspraakdatum op 19 december 2012, is door verzoeker schriftelijk een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van mr. De Witt voornoemd.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het schrijven van verweerder d.d. 8 januari 2013, waarin wordt medegedeeld dat hij niet in de wraking berust. Verweerder heeft bij die gelegenheid tevens kenbaar gemaakt dat bij hem geen behoefte bestaat om op grond van artikel 515 van Pro het Wetboek van Strafvordering te worden gehoord.
De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat zij evenmin gebruik zal maken van de mogelijkheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord.
Het wrakingsverzoek is behandeld in openbare raadkamer op 10 januari 2013. Verschenen is verzoeker, die het wrakingsverzoek mondeling heeft toegelicht.
De beoordeling
De ontvankelijkheid van het verzoek
De wrakingskamer acht het verzoek, hoewel aan de late kant, nog tijdig gedaan en acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd.
Ten eerste is aangevoerd dat verweerder over onvoldoende kennis van het recht beschikt. Volgens verzoeker beheerste verweerder de basiskennis van het bestuursrecht niet.
Daarnaast heeft verweerder de gemachtigde van de advocaat-generaal ten onrechte in de gelegenheid gesteld mondeling op de bezwaren van verzoeker te reageren. De advocaat-generaal had er vanaf gezien voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting een verweerschrift in te dienen en heeft daarmee zijn recht verspeeld om verweer te voeren, aldus verzoeker. Toen verzoeker verweerder hierop aansprak werd hem de mond gesnoerd en werd zelfs gedreigd hem uit de zittingszaal te verwijderen.
Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder hem wel diverse malen in de rede is gevallen en heeft gecorrigeerd, maar de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie niet.
Het standpunt van verweerder
Bij brief van 8 januari 2013 heeft verweerder op voornoemde klachten gereageerd.
Verweerder stelt dat er geen rechtsregel is waaruit voortvloeit dat van de zijde van de advocaat-generaal geen verweer mag worden gevoerd indien er geen verweerschrift is ingediend. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat de advocaat-generaal als verwerende partij ter zitting het woord moet kunnen voeren, ongeacht de vraag of hij een verweerschrift heeft ingediend.
Uit de omstandigheid dat verweerder op zitting een aantal correcties heeft aangebracht in de wijze waarop verzoeker een aantal bestuursrechtelijke beginselen toepaste en ten aanzien van door verzoeker gebruikte strafrechtelijke terminologie, mag voorts niet worden afgeleid dat er sprake is van enige vooringenomenheid.
Aldus is er volgens verweerder geen sprake van feiten en omstandigheden waaruit zou blijken dat zijn rechterlijke onpartijdigheid in deze zaak zou ontbreken.
De beoordeling van het wrakingsverzoek
Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof het volgende voorop.
Op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv Pro hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
De wrakingskamer is van oordeel dat de gronden die verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, geen blijk geven van vooringenomenheid, noch objectief gezien de schijn van vooringenomenheid wekken. Uit de omstandigheid dat verweerder verzoeker erop heeft aangesproken toen hij de gemachtigde van de advocaat-generaal tijdens haar verweer herhaaldelijk onderbrak - zoals uit het proces-verbaal van de zitting blijkt - omdat verzoeker van mening was dat het openbaar ministerie geen verweer mocht voeren, kan geen (schijn van) partijdigheid worden afgeleid. De voorzitter heeft de leiding over het onderzoek ter terechtzitting en is verantwoordelijk voor een goed en ordelijk verloop van de zitting. Het behoort derhalve tot zijn taak ervoor te zorgen dat beide partijen het woord kunnen voeren, zonder daarbij onderbroken te worden. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verweerder op een adequate manier leiding heeft gegeven aan de zitting. Zijn handelen geeft geenszins blijk van vooringenomenheid. Verzoeker heeft ook bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek bevestigd dat hij zijn standpunt voldoende kenbaar heeft kunnen maken. Dat verweerder verzoeker niet is gevolgd in zijn interpretatie van het (bestuurs)recht, levert gelet op het hiervoor gegeven criterium geen grond voor wraking op.
Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.
De beslissing:
Het gerechtshof (wrakingskamer): wijst het wrakingsverzoek af.
Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, H.J. Deuring en J.H. Kuiper, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier, en op 17 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.