ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0169

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.114.465/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 1:254 lid 1 BWArt. 1:261 lid 1 BWArt. 1:263 lid 2 BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen verlenging ondertoezichtstelling minderjarige

In deze zaak heeft Bureau Jeugdzorg Overijssel (BJZ) bij de kinderrechter verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind]. De kinderrechter heeft dit verzoek toegewezen en de termijn verlengd van 6 oktober 2012 tot 6 april 2013. De vader van het kind heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en verzocht de beschikking te vernietigen en BJZ niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof heeft beoordeeld of de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Uit de wet volgt dat alleen belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro in hoger beroep kunnen worden ontvangen. Gezien de aard van de maatregel en het gezag over het kind, kan alleen de ouder die het gezag uitoefent, het kind zelf (vanaf twaalf jaar) of anderen die het kind verzorgen en opvoeden als belanghebbende worden aangemerkt.

De vader oefent geen gezag uit over het kind en verzorgt en voedt het kind niet op. Ook zijn erkenning van het kind en eerdere ontvankelijkheid in eerste aanleg veranderen hier niets aan. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op respect voor familie- en gezinsleven) leidt evenmin tot een ander oordeel. Daarom verklaart het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

Uitkomst: De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 januari 2013
Zaaknummer 200.114.465
HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Vestiging Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. Ph.J.N. Aarnoudse, kantoorhoudende te Deventer,
tegen
Bureau Jeugdzorg Overijssel,
kantoorhoudende te Zwolle,
geïntimeerde,
hierna te noemen: BJZ.
Belanghebbende:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. N. Durdabak, kantoorhoudende te Deventer.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 18 september 2012 (zaaknummer rechtbank 194848 / JZ RK 12-92) heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle het verzoek van BJZ toegewezen en de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind] (hierna: [kind]), geboren [in 2005], verlengd met ingang van 6 oktober 2012 tot 6 april 2013.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 5 oktober 2012, heeft de vader verzocht de beschikking van 18 september 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende BJZ in het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk te verklaren, althans BJZ dit verzoek te ontzeggen, en opnieuw rechtdoende (naar het hof begrijpt:) het verzoek van BJZ af te wijzen, althans een zodanige beslissing te geven als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 29 oktober 2012, heeft BJZ het verzoek bestreden en (naar het hof begrijpt:) verzocht het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 26 oktober 2012, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht de vader in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van
15 oktober 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), waarin de raad aangeeft in deze zaak niet over recent opgemaakte rapporten te beschikken, een brief van 18 oktober 2012 met bijlagen, een faxbericht van
26 oktober 2012, een brief van 2 november 2012 met bijlagen van mr. Aarnoudse en een brief van 13 november 2012 van de raad, waarin de raad aangeeft niet ter zitting te zullen verschijnen.
Ter zitting van 22 november 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mevrouw [namens BJZ] en de heer [namens BJZ 2] namens BJZ en de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1. Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. De moeder is met het eenhoofdig gezag over [kind] belast. [kind] staat onder toezicht van BJZ. De ondertoezichtstelling van [kind] is eerst bij beschikking van 6 april 2009 uitgesproken en is nadien steeds verlengd.
2. BJZ heeft de kinderrechter bij verzoekschrift, bij de griffie van de rechtbank binnengekomen op 8 februari 2012, verzocht de termijn van de ondertoezichtstelling van [kind] te verlengen voor de duur van één jaar, te weten van 6 april 2012 tot 6 april 2013.
3. De vader heeft daartegen verweer gevoerd.
4. Bij beschikking van 20 maart 2012 is de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 6 april 2012 tot 6 oktober 2012. De kinderrechter heeft de beslissing voor het overige aangehouden.
5. BJZ heeft de kinderrechter bij (aanvullend) verzoekschrift van 19 juli 2012 verzocht de ondertoezichtstelling van [kind] te verlengen voor de duur van één jaar.
6. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter beslist als hiervoor vermeld onder ‘Het geding in eerste aanleg’. Het hoger beroep van de vader richt zich tegen deze beslissing.
De ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep
7. Allereerst dient te worden beoordeeld of de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De vader kan slechts dan worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep, indien hij - gelet op de aard van de procedure - als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro kan worden aangemerkt. Het hof is in dit verband van oordeel dat de vader niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen en overweegt daartoe als volgt.
8. De maatregel van de ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel die door de kinderrechter kan worden uitgesproken c.q. kan worden verlengd indien aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW Pro is voldaan. Uit de aard van de in het geding zijnde maatregel volgt dat enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen, dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, zijn betrokken. Daarom kunnen in een geval als het onderhavige slechts als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro worden beschouwd (naast de instellingen en organen die ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW Pro de uithuisplaatsing kunnen verzoeken): de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (zie artikel 1:263 lid 2 BW Pro), onverminderd, in geval van een jonger kind, de toepassing van art. 1:377g BW (Hoge Raad 21 mei 2010, LJN: BL7043).
9. In de onderhavige zaak staat vast dat de vader niet (mede) is belast met het gezag over [kind]. Tevens staat vast dat [kind] niet (mede) door de vader wordt verzorgd en opgevoed. Dit brengt mee dat de vader in deze zaak niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro kan worden aangemerkt. Dat de vader [kind] heeft erkend en in eerste aanleg wel als belanghebbende is aangemerkt (waardoor hij overeenkomstig artikel 361 lid 1 Rv Pro in hoger beroep is opgeroepen), maakt dat niet anders.
10. Ook het beroep van de vader op het in artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven leidt niet tot een andere beslissing. De onderhavige procedure betreft immers enkel de uit het gezag over [kind] voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind. Nu de vader geen gezag heeft en [kind] niet mede verzorgt en opvoedt, wordt hij niet getroffen in een uit het familie- of gezinsleven voortvloeiend, door art. 8 EVRM Pro gewaarborgd recht.
11. Anders dan de raadsman van de vader meent, geeft artikel 806 lid 1 onder Pro a Rv de vader niet het recht om als niet-belanghebbende toch in hoger beroep te mogen komen.
12. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
Slotsom
13. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle van 18 september 2012.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, M.P. den Hollander en K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2013 in bijzijn van de griffier.