AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid en rechtmatigheid van uitvaardiging dwangbevel door het CJIB bevestigd
Betrokkene verzette zich tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd op 23 juni 2011, stellende dat geen rechtsgeldige sanctie was opgelegd en dat het dwangbevel niet door de officier van justitie maar door het CJIB was uitgevaardigd zonder mandaat.
De kantonrechter verklaarde het verzet ongegrond, waarna betrokkene hoger beroep instelde. Het hof oordeelde dat het door het CJIB toegezonden stuk als beschikking beschouwd moest worden, en dat betrokkene tegen dit stuk beroep had moeten instellen indien hij gebreken zag.
Het hof stelde vast dat het dwangbevel feitelijk door het CJIB was genomen, maar dat dit bevoegdelijk gebeurde op grond van schriftelijk mandaat van de officier van justitie te Leeuwarden. De digitale handtekening van de officier van justitie werd gebruikt binnen een geautomatiseerd systeem.
Het hof concludeerde dat het mandaat rechtsgeldig was en dat het dwangbevel daarmee rechtmatig was uitgevaardigd. Het verzet van betrokkene werd dus terecht ongegrond verklaard, zij het op andere gronden dan de kantonrechter had aangevoerd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat het dwangbevel bevoegdelijk door het CJIB is uitgevaardigd en verklaart het verzet van betrokkene ongegrond.
Uitspraak
WAHV 200.099.509
6 februari 2013
CJIB [nummer]
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter van de rechtbank Almelo
van 3 oktober 2011
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 23 juni 2011 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 23 januari 2013. Het hof heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. De betrokkene is verschenen bij zijn zaakwaarnemer [zaakwaarnemer].
Mr. E. Boelen, officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland, en mr. C van Dijk en mr. M. van den Brink, juridisch (beleids)medewerkers bij het CJIB te Leeuwarden, zijn als getuigen verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M. Heida.
Beoordeling
1. Bij de in hoger beroep bestreden beslissing heeft de kantonrechter het verzet van de betrokkene tegen het jegens hem uitgevaardigde dwangbevel ongegrond verklaard.
De oplegging van de sanctie en de inleidende beschikking
2. De bezwaren van de betrokkene tegen de grondslag van de dwangbevelen komen er op neer dat volgens de betrokkene aan hem nooit op de in de WAHV voorziene wijze een sanctie is opgelegd. Er is nooit een beschikking, waarbij een sanctie is opgelegd, gegeven, althans bekend gemaakt. Door het CJIB is wel een document toegestuurd maar dat voldoet niet aan de eisen die artikel 4, eerste en tweede lid, WAHV stelt. Dit document heeft geen sanctionerende betekenis, het CJIB kan ook geen sancties opleggen. Daarom zijn geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit document, de betrokkene kan dat ook niet worden tegengeworpen.
3. De betrokkene ontkent niet dat hij in de onderhavige zaak een van het CJIB afkomstig stuk heeft ontvangen met daarop rechts bovenaan het woord "beschikking". In het door de advocaat-generaal overgelegde model van de beschikking dat destijds werd gebruikt, staat onder andere "Daarom ontvangt u deze beschikking waarin een administratieve sanctie aan u is opgelegd." Onder het kopje "Niet eens met de opgelegde sanctie?" staat vermeld hoe te handelen indien men het niet eens is met de opgelegde sanctie. Het hof is van oordeel dat indien de betrokkene van mening was dat aan de oplegging van de sanctie gebreken kleven, in die zin dat er in de optiek van de betrokkene geen sanctie is opgelegd op de in de wet voorziene wijze, hij hiertegen diende te ageren door in reactie op het hem door het CJIB toegezonden stuk beroep ex artikel 6 vanPro de WAHV in te stellen. Nu de betrokkene dit niet heeft gedaan, moet ervan uit worden gegaan dat het als beschikking geduide stuk zowel wat zijn inhoud betreft als wat betreft de wijze van totstandkoming in overeenstemming is met de betreffende wettelijke voorschriften (vgl. Hoge Raad 27 december 2010, LJN BO1802). Het hof gaat gelet hierop uit van de rechtmatigheid van de beschikking van 1 november 2010.
Het dwangbevel
4. De betrokkene heeft betoogd dat het dwangbevel dat jegens hem is uitgevaardigd, niet is uitgevaardigd door de officier van justitie te Leeuwarden, zoals artikel 26, tweede lid, WAHV bepaalt, maar door het CJIB. Het CJIB ondertekent het dwangbevel en maakt daartoe gebruik van een digitale handtekening. Het CJIB valt echter niet onder het gezag van de officier van justitie te Leeuwarden. Er is, nog afgezien daarvan dat het niet mogelijk is om deze bevoegdheid te mandateren, geen sprake van mandaat om de dwangbevelen uit te vaardigen en/of de handtekeningen te plaatsen. Verder betwist de betrokkene de echtheid van de geplaatste handtekening.
5. Ingevolge artikel 26, eerste lid, WAHV geschiedt verhaal op de goederen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd krachtens een dwangbevel medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalde ten tijde in geding dat het dwangbevel in naam des Konings wordt uitgevaardigd door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden (thans: de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland). Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.
6. Het dwangbevel dat ten grondslag ligt aan de onderhavige procedure dateert van 23 juni 2011.
7. Het briefhoofd van het dwangbevel vermeldt: "Centraal Justitieel Incassobureau Ministerie van Justitie" gevolgd door "Dwangbevel" en het CJIB nummer. Het dwangbevel vermeldt dat de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden gelet op artikel 26 WetPro administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften beveelt dat het door de betrokkene verschuldigde (nog niet betaalde) bedrag, de kosten van de betekening van het bevel en alle in verband met de tenuitvoerlegging van het bevel te maken kosten op de betrokkene zullen worden verhaald. Het dwangbevel is voorzien van een handtekening. Daaronder staat vermeld: "De officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden". De handtekening komt overeen met die van de aangewezen officier van justitie in (destijds) het arrondissement te Leeuwarden, mr. E. Boelen.
8. Het door de betrokkene gevoerde verweer roept de vraag op naar de betrokkenheid van het CJIB bij de uitvaardiging van dwangbevelen. De dossierstukken bevatten hierover geen eenduidige informatie. De officier van justitie te Leeuwarden heeft bij brief van 27 december 2010, voor zover hier van belang, aan de betrokkene laten weten dat hij slechts formeel in de WAHV nog een positie heeft, die echter geheel is gemandateerd aan het CJIB. In de brief van 29 december 2010 van de hoofddirecteur van het CJIB aan de betrokkene is vermeld dat het CJIB uit hoofde van de officier van justitie over gaat tot het uitvaardigen van dwangbevelen. De werkzaamheden zijn gebaseerd op het Besluit administratieve handhaving verkeersvoorschriften, in het bijzonder artikel 5. Verder wordt gebruik gemaakt van een mandateringsbesluit.
In de door de advocaat-generaal, naar aanleiding van de tussenbeschikking, ingebrachte brief van 28 februari 2012 van de algemeen directeur van het CJIB is daarentegen vermeld dat het dwangbevel door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden wordt ondertekend en tegen de betrokkene wordt uitgevaardigd. Het CJIB heeft daarbij een ondersteunende en administratieve rol die onder meer ziet op het opmaken en verzenden van de dwangbevelen. Nadat de heer Boelen was aangewezen als officier van justitie te Leeuwarden in de zin van de WAHV heeft het CJIB hem met het oog op de digitale ondertekening van het dwangbevel benaderd. Vervolgens heeft de heer Boelen zijn handtekening ter beschikking gesteld, aldus deze brief.
9. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat de officier van justitie te Leeuwarden niet persoonlijk betrokken is geweest bij het aan de procedure ten grondslag liggende dwangbevel. Ook heeft de officier van justitie niet persoonlijk zijn handtekening onder het dwangbevel gezet.
10. Het CJIB maakt gebruik van een geautomatiseerd systeem. Indien het bedrag van de sanctie inclusief verhogingen en de administratiekosten, na een tweede aanmaning, nog steeds niet is betaald, genereert het systeem automatisch een dwangbevel dat, voorzien van de ingescande handtekening van de officier van justitie, door de deurwaarder wordt geprint. De deurwaarder gaat vervolgens over tot betekening van het dwangbevel.
11. Anders dan de advocaat-generaal en de kantonrechter is het hof van oordeel dat deze werkwijze niet meebrengt dat het besluit tot het uitvaardigen van het dwangbevel niet (feitelijk) door een ander dan door de officier van justitie is genomen. De officier van justitie heeft feitelijk geen enkele betrokkenheid bij het uitvaardigen van het individuele dwangbevel. De beslissing tot het bevel, inhoudende dat het door de betrokkene verschuldigde (nog niet betaalde) bedrag, de kosten van de betekening van het bevel en alle in verband met de tenuitvoerlegging van het bevel te maken kosten op de betrokkene zullen worden verhaald, is niet door de officier van justitie genomen. Dat de officier van justitie heeft ingestemd met de in het geautomatiseerde systeem besloten liggende beslissingen en voorts dat de door het systeem gegenereerde dwangbevelen zijn voorzien van de ingescande handtekening van de officier van justitie, maken niet dat de besluiten tot uitvaardiging van die dwangbevelen feitelijk door hem zijn genomen. De beslissingen zijn feitelijk genomen door het CJIB.
“Er is een Centraal Justitieel Incassobureau, gevestigd te Leeuwarden, waarvan de algemene leiding, de organisatie en het beheer berusten bij Onze Minister van Justitie.”
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van dit besluit is het Centraal Justitieel Incassobureau belast met de taken die hem bij algemene maatregel van bestuur zijn opgedragen.
Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht, zo bepaalt het tweede lid van dit artikel, de werkzaamheden die uit de taken, als bedoeld in het eerste lid, voortvloeien en die Onze Minister van Justitie of het openbaar ministerie van hem verlangen.
"1. Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak het openbaar ministerie te ondersteunen bij zijn taak met betrekking tot de inning van de administratieve sancties en de daarop gevallen verhogingen en kosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet.
2. Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht de werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.
3. De bevoegde ambtenaren verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens, die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel."
14. Het CJIB is, zo vloeit voort uit artikel 1 enPro artikel 2, eerste lid, van het Besluit instelling centraal justitieel incassobureau, een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het CJIB is geen onderdeel van het openbaar ministerie maar voert wel werkzaamheden ten behoeve van het openbaar ministerie uit die het openbaar ministerie van hem verlangt.
15. Wil het CJIB besluiten in opdracht en onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie kunnen nemen, dan zal de bevoegdheid daartoe moeten worden gemandateerd. De algemene taakstelling, opgenomen in artikel 5 vanPro het Bahv is daartoe onvoldoende. Daarbij tekent het hof aan dat, gelet op de artikelen 2, tweede lid, van het Besluit instelling centraal justitieel incassobureau en artikel 5, tweede lid, van het Bahv, de gemandateerde als werkzaam onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever kan worden gezien.
16. De bevoegdheid tot het uitvaardigen van dwangbevelen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de WAHV was destijds in het tweede lid van dit artikel toegekend aan de officier van justitie te Leeuwarden (thans de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland). Niet is bij wettelijk voorschrift bepaald dat deze bevoegdheid niet kan worden gemandateerd. Voor het oordeel dat de aard van deze bevoegdheid zich verzet tegen mandaatverlening heeft het hof geen aanknopingspunten gevonden, in het bijzonder niet in artikel 126 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij onder andere artikel 26, tweede lid, van de WAHV is gewijzigd in die zin dat die bevoegdheid voortaan niet meer aan elke officier van justitie toekomt maar enkel nog aan de officier van justitie te Leeuwarden, is mandaatverlening van bevoegdheden met betrekking tot dwangmiddelen aan het CJIB expliciet en uitgebreid besproken. De wetgever heeft geen bezwaren gezien tegen mandaatverlening bij de uitvaardiging van dwangbevelen (EK 1996 -1997, 23689, nr. 5 c, blz. 4).
17. Het hof stelt vast dat ten tijde van het aan deze procedure ten grondslag liggende dwangbevel door de officier van justitie schriftelijk mandaat was verleend aan het CJIB tot het uitoefenen van de in artikel 26, tweede lid, WAHV toegekende bevoegdheid.
Op 12 mei 2011 heeft mr. E. Boelen in zijn hoedanigheid van aangewezen officier van justitie in de zin van de WAHV, de hoofddirecteur van het CJIB opdracht verleend om namens hem een aantal handelingen te verrichten waaronder, voor zover hier van belang, het uitvaardigen van dwangbevelen ten behoeve van inning van Wahv sancties. Verder heeft hij de hoofddirecteur van het CJIB toestemming gegeven daarbij gebruik te maken van zijn elektronische handtekening en de hoofddirecteur de bevoegdheid verleend om het gebruik van zijn elektronische handtekening over te dragen aan medewerkers van de Centrale Productie Unit en de Unit OM-ondersteuning.
18. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het aan deze procedure ten grondslag liggende dwangbevel bevoegdelijk is genomen. De bezwaren van de betrokkene treffen derhalve geen doel. De kantonrechter heeft het verzet terecht ongegrond verklaard, zij het op onjuiste gronden. De beschikking van de kantonrechter komt derhalve met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beschikking van de kantonechter met verbetering van gronden.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.