ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1887

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
21-004899-12
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a SvArt. 75 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot gevangenneming wegens termijnverzuim voorlopige hechtenis

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 20 februari 2013 beslist over de vordering van de advocaat-generaal tot het geven van een bevel tot gevangenneming van verdachte, die vastzit in het huis van bewaring te Nieuwegein. De vordering betrof de voortzetting van de voorlopige hechtenis na overschrijding van de wettelijke termijn.

De voorlopige hechtenis was verleend in verband met meerdere feiten, waaronder poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen en deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank Utrecht had de gevangenhouding bevolen en verdachte was op 28 november 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 52 maanden, waartegen hij hoger beroep had ingesteld.

Het hof overwoog dat artikel 66a Sv, dat termijnverzuimen bij voorlopige hechtenis kan repareren, niet van toepassing was omdat de feiten niet met een gevangenisstraf van ten minste acht jaar waren bedreigd. Ook artikel 75 lid 2 Sv Pro bood geen grondslag voor gevangenneming omdat geen nieuwe ernstige bezwaren waren gerezen. Daarom wees het hof de vordering tot gevangenneming af en hief het het bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: De vordering tot gevangenneming is afgewezen en het bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Arnhem
Pkn: 21-004899-12-10
Het gerechtshof heeft te beslissen op de vordering van de advocaat-generaal bij dit hof van
19 februari 2013 tot het geven van een bevel tot gevangenneming van de verdachte
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in het huis van bewaring te Nieuwegein.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en gezien de schriftelijke verklaring van verdachte niet gehoord te wilen worden bij de behandeling in raadkamer van heden.
De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij voormelde vordering tot gevangenneming.
Door de rechtbank te Utrecht is de gevangenhouding van verdachte bevolen bij beschikking van 26 april 2012.
Verdachte is op 28 november 2012 door die rechtbank veroordeeld onder meer terzake van:
ten aanzien feit 4, 5 en 6 telkens:
"Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak";
ten aanzien van feit 8:
"Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven",
T O T:
een gevangenisstraf voor de tijd van tweeënvijftig maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
De verdachte heeft op 28 november 2012 hoger beroep ingesteld.
OVERWEGINGEN:
Gelet op het veroordelend vonnis van de Rechtbank Utrecht van 28 november 2012 duurde het tegen verdachte verleende bevel voorlopige hechtenis voort tot 28 januari 2013. Kennelijk nadat voormeld termijnverzuim aan het licht was gekomen heeft de advocaat-generaal op 19 februari 2013 de onderhavige vordering tot gevangenneming, strekkende tot voortzetting van de voorlopige hechtenis, ingediend.
Het hof overweegt ten aanzien van deze vordering dat deze niet kan worden gebaseerd op artikel 66a van het Wetboek van Strafvordering, dat in beginsel reparatie van termijnverzuimen bij de voorlopige hechtenis mogelijk maakt, doch dat in het onderhavige geval toepassing mist, aangezien de feiten, waarop de voorlopige hechtenis is gebaseerd, niet met een gevangenisstraf van tenminste acht jaar zijn bedreigd. Voorts kan de gevangenneming, anders dan de advocaat-generaal in raadkamer heeft gesteld, niet worden bevolen op basis van artikel 75, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de bepaling als voorwaarde stelt dat alsnog ernstige bezwaren zijn gerezen tegen de verdachte.
Daarvan kan in het onderhavige geval niet gesproken worden, aangezien de verdachte zich steeds, op basis van aanwezig geachte ernstige bezwaren, in gevangenhouding heeft bevonden, zij het dat de termijn daarvan is overschreden.
Al met al is geen wettelijke grond aanwezig voor toewijzing van de vordering van de advocaat-generaal, zodat deze dient te worden afgewezen. Het hof zal de voorlopige hechtenis opheffen.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 66a, 75 van het Wetboek van Strafvordering.
B E S L I S S I N G:
Het hof wijst af de vordering tot gevangenneming en heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gegeven op 20 februari 2013 door mr A.E. Harteveld, voorzitter, mr R.W. van Zuijlen en mr W.R. Rosingh, raadsheren, in tegenwoordigheid van Y.E. van Dorst, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.