ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3435

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.118.332
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 lid 5 BWArt. 807 RvWet op de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vervanging Bureau Jeugdzorg bij ondertoezichtstelling

De moeder van twee minderjarige kinderen heeft bij de rechtbank verzocht om Bureau Jeugdzorg te vervangen door het Leger des Heils als toezichthoudende instantie in de ondertoezichtstelling van haar kinderen. De kinderrechter heeft dit verzoek afgewezen omdat het Leger des Heils via mandaat door de stichting Bureau Jeugdzorg met de uitvoering belast kan worden, en heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking. Het hof heeft het verzoek tot vervanging beoordeeld aan de hand van artikel 1:254 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat tegen beschikkingen op grond van dit wetsartikel alleen cassatie in het belang der wet openstaat. Daarom verklaarde het hof de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

De minderjarige kinderen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening te geven, maar hebben hiervan geen gebruik gemaakt. De procedure kende een mondelinge behandeling waarbij de moeder, haar advocaat, de Raad voor de Kinderbescherming en de stichting aanwezig waren. Het hof sprak de beschikking uit in het openbaar op 28 februari 2013.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van haar verzoek tot vervanging van Bureau Jeugdzorg.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.118.332
(zaaknummer rechtbank Utrecht 329453)
beschikking van de familiekamer van 28 februari 2013
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: “de moeder”,
advocaat: mr. A.P. van Stralen te Utrecht,
en
Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: “de stichting”.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende sub 1],
wonende te [woonplaats],
vader van [kind 2],
verder te noemen: “de vader van [kind 2]”,
en
[belanghebbende sub 2],
wonende te [woonplaats],
vader van [kind 1],
verder te noemen: “de vader van [kind 1]”.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 6 september 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 3 december 2012;
- het verweerschrift van de stichting, ingekomen op 17 januari 2013.
2.2 De na te noemen minderjarige [kind 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3 De mondelinge behandeling heeft op 29 januari 2013 plaatsgevonden. De vader van [kind 1] is in persoon verschenen. Namens de moeder is haar advocaat verschenen, mr. Van Stralen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: “de raad”) is mevrouw [...] verschenen. Namens de stichting is verschenen mevrouw [...].
2.4 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
3. De vaststaande feiten
3.1 Uit de moeder zijn geboren [kind 1] (verder: “[kind 1]”), op [geboortedatum] 1999, en [kind 2] (verder: “[kind 2]”), op [geboortedatum] 2005. De moeder oefent alleen het gezag over hen uit.
3.2 Bij beschikking van 3 maart 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht zijn [kind 1] en [kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting. Bij beschikking van 31 mei 2012 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 31 mei 2013.
3.3 Bij op 4 september 2012 bij de rechtbank ingediend verzoekschrift heeft de moeder verzocht de stichting te vervangen door het Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming te Utrecht.
3.4 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter overwogen – kort samengevat – dat het Leger des Heils via mandaat door de stichting met de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan worden belast. De kinderrechter heeft daarom het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
4. De motivering van de beslissing
4.1 Ingevolge artikel 1:254 lid 5 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter onder meer op verzoek van de met gezag belaste ouder de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die het toezicht heeft, vervangen door een zodanige stichting in een andere provincie.
4.2 Op grond van het bepaalde in artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:254 lid 5 BW Pro geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
4.3 Nu de moeder hoger beroep instelt tegen de beschikking waarbij op haar op artikel 1:254 lid 5 BW Pro gebaseerd verzoek is beslist, dient zij op grond van het bepaalde in artikel 807 Rv Pro niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, C.J. Laurentius-Kooter en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 28 februari 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.