ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3788

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.118.996
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken boekhouding en twijfel aan goede trouw

Appellant, een alleenstaande man met een hoveniersbedrijf als eenmanszaak, verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €37.000. De rechtbank Arnhem wees dit verzoek af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, mede vanwege een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling en het ontbreken van een boekhouding.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij zijn financiën onder controle had, sinds hij onder budgetbeheer stond en begeleiding kreeg vanwege een posttraumatische stressstoornis veroorzaakt door onterechte beschuldigingen en publiciteit. Hij stelde dat de schulden aan het CJIB grotendeels zouden worden kwijtgescholden en dat hij geen nieuwe schulden had gemaakt.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van de boekhouding het onmogelijk maakt om een voldoende oordeel te vormen over de goede trouw van appellant. Dit risico blijft voor rekening van appellant. Ook de hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat appellant nog steeds psychische problemen heeft die zijn functioneren belemmeren. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer 200.118.996
(rekestnummer rechtbank 236001/FT-RK)
arrest van de eerste civiele kamer van 11 maart 2013
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. E. Klijn.
1. Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 december 2012 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 21 december 2012 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2013, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat.
2.4 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 bij het hof Arnhem aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is het volgende gebleken. [appellant], geboren op 12 mei 1972, is een alleenstaande man die bij zijn moeder inwoont. Zijn totale schuldenlast bedraagt volgens het bij de schuldsaneringsverklaring behorende schuldenoverzicht ruim € 37.000,- en bestaat onder meer uit een schuld aan het CJIB, een schuld van € 22.934,88 aan ING Consumptief Krediet en een schuld van € 3.332,36 aan [bedrijf X] [appellant] heeft tot 1 oktober 2010 een hoveniersbedrijf als eenmanszaak gedreven. [appellant] ontvangt een WWB-uitkering, die circa € 762,- netto per maand bedraagt, exclusief vakantiegeld en ander klein netto inkomen.
3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat niet of onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden aan het CJIB in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank baseert dit oordeel op de vaststelling dat [appellant] een tweetal schulden heeft aan het CJIB van in totaal € 530,- en dat de aan de Strabisboete ten grondslag liggende strafrechtelijke veroordeling van 1 september 2010 binnen vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, onherroepelijk is geworden.
De rechtbank overweegt voorts dat niet kan worden vastgesteld of [appellant] in staat is aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen, nu [appellant] op 7 september 2012 opnieuw strafrechtelijk is veroordeeld en thans nog niet duidelijk is of dit vonnis in hoger beroep zal worden bekrachtigd.
3.3 [appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en is van mening dat het vonnis van de rechtbank geen recht doet aan de persoonlijke omstandigheden, de goede trouw, de inspanningen ten aanzien het voorkomen van schulden en de nakoming van de verplichtingen door [appellant]. [appellant] is van mening dat de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden aan het CJIB, de ING en de schuld aan [bedrijf X], onder controle heeft gekregen. [appellant] heeft immers sinds hij in budgetbeheer is geen nieuwe schulden laten ontstaan en hij wordt bovendien begeleid door een psychotherapeut. [appellant] stelt dat hij zijn financiën volledig onder controle heeft.
[appellant] wijst er nog op dat de schuld aan [bedrijf X] door beslag op zijn inkomen aanzienlijk is afgenomen.
Ter mondelinge behandeling heeft [appellant] onder meer verklaard dat hij de boekhouding van zijn bedrijf altijd zelf heeft bijgehouden. Dat hij dit naar behoren heeft gedaan blijkt volgens [appellant] uit het feit dat er geen fiscale schulden zijn. [appellant] stelt dat hij de boekhouding heeft vernietigd uit boosheid over wat hem door de politie en overheid is aangedaan, namelijk het ten onrechte beschuldigen van het hebben van een hennepkwekerij en de tendentieuze publicaties daarover, waardoor hij de klanten van zijn bedrijf is kwijtgeraakt en hij het bedrijf uiteindelijk heeft moeten stoppen. Door dit alles heeft [appellant] een posttraumatische stressstoornis opgelopen, waardoor hij niet meer goed kan functioneren. Hiervoor wordt [appellant] nog steeds behandeld. [appellant] heeft ter mondelinge behandeling een brief overgelegd van het Arrondissementsparket Oost-Nederland, waarin hij wordt uitgenodigd voor een gesprek met de officier van justitie op 8 maart 2013. Volgens de advocaat van [appellant] is uit een telefonische mededeling van het arrondissementsparket gebleken dat de openstaande schuld bij het CJIB wegens het beledigen van een politiefunctionaris zal worden kwijtgescholden. Volgens [appellant] is dit de enig openstaande schuld aan het CJIB.
3.4 Het hof oordeelt als volgt. Voorop moet worden gesteld dat het ingevolge het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder Pro b Faillissementswet (Fw) aan [appellant] is om aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Wat ook zij van de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, reeds door het ontbreken van de boekhouding van de onderneming van [appellant], kan het hof zich geen voldoende oordeel vormen over de goede trouw van [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de (zakelijke) schulden en kan [appellant] niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit gevolg van het vernietigen van de boekhouding dient voor risico van [appellant] te blijven.
Het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro kan evenmin slagen, nu uit het gedrag en de verklaring van [appellant] ter zitting in hoger beroep moet worden afgeleid dat [appellant] zijn psychische problemen nog niet onder controle heeft. Volgens de verklaring van [appellant] lijdt hij nog steeds aan de gevolgen van een posttraumatisch stresssyndroom, is hij daarvoor onder behandeling en moet hij nog een neuropsychologisch onderzoek ondergaan. Het hof wijst [appellant] er in dit verband op dat hij, indien hij wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en de regeling tussentijds zou worden beëindigd omdat hij de verplichtingen uit de regeling niet kan nakomen, gedurende tien jaar niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten.
3.5 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 december 2012.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, L.M. Croes en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2013.