ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4210

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.114.300/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. CIII Wet herziening gerechtelijke kaart
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan vader wegens verstoorde communicatie en belang kinderen

Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. De rechtbank wees het verzoek van de vader om eenhoofdig gezag toe te kennen af. In hoger beroep verzoekt de vader opnieuw om het eenhoofdig gezag, met het oog op de ernstige gedragsproblematiek van de moeder en de verstoorde communicatie tussen de ouders.

Het hof constateert dat de kinderen zich positief ontwikkelen bij de vader, die een stabiele en veilige omgeving biedt. De moeder vertoont al jaren kwalijk en manipulatief gedrag, waaronder bedreigingen en het verspreiden van smadelijke teksten, en vertoont tekenen van persoonlijkheids- en somatisatieproblematiek. Dit leidt tot een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem raken bij gezamenlijk gezag.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het gezag niet aan de vader toe te kennen, uit vrees dat de moeder buiten spel komt. Het hof deelt dit standpunt niet en acht het in het belang van de kinderen noodzakelijk het eenhoofdig gezag aan de vader toe te kennen. De moeder wordt dringend geadviseerd professionele hulp te zoeken en moet het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader respecteren.

Uitkomst: Het hof kent het eenhoofdig gezag toe aan de vader over de minderjarige kinderen.

Uitspraak

Beschikking d.d. 28 februari 2013
Zaaknummer 200.114.300
HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. G. van Mastrigt, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen
[geïntimeerde],
wonende op een geheim adres,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. drs. R.F.P. Scheele, kantoorhoudende te Capelle aan de IJssel.
Belanghebbende:
Bureau Jeugdzorg Friesland,
kantoorhoudende te Leeuwarden,
hierna te noemen: BJZ.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 4 juli 2012 (zaaknummer 113324/ FA RK 11-1064) heeft de rechtbank Leeuwarden het verzoek van de vader om alleen te worden belast met het gezag over de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 2003], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 2007], afgewezen.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 4 oktober 2012, heeft de vader verzocht de beschikking van 4 juli 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te geven als het hof in goede justitie juist acht.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 14 november 2012, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht het beroep van de vader te verwerpen.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 22 november 2012, heeft BJZ verzocht om het beroep van de vader gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van
9 oktober 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), een brief met bijlage van 2 november 2012 van mr. Van Mastrigt en een brief met bijlagen van 18 december 2012 van BJZ. Voorts is op 27 december 2012 een brief van 21 december 2012 ontvangen, waarin BJZ schriftelijk heeft verzocht om mevrouw drs. [namens BJZ], werkzaam binnen de gedragswetenschappelijke staf, aanwezig te laten zijn ter zitting.
Ter zitting van 24 januari 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens BJZ zijn mevrouw [namens BJZ 1], mevrouw [namens BJZ] en mevrouw [namens BJZ 2] verschenen. Namens de raad is mevrouw [namens de raad] verschenen. Mr. Scheele en mevrouw [namens BJZ 2] hebben mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.
Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1. Partijen zijn [in 2003] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. Partijen zijn op 3 december 2009 gescheiden, door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 november 2009 in het register van de burgerlijke stand.
2. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. De kinderen zijn in juli 2009 onder toezicht gesteld van BJZ en uithuis geplaatst (in een crisispleeggezin). Op 30 juni 2010 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen door de kinderrechter bij de vader bepaald.
3. De vader heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift verzocht hem alleen met het gezag over de kinderen te belasten.
4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding eerste aanleg". De vader heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.
De overwegingen van het hof
5. Het uitgangspunt na echtscheiding is dat het gezamenlijk gezag van de ouders over hun minderjarige kinderen voortduurt, tenzij (a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders bij het (blijven) uitoefenen van gezamenlijk gezag en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of (b) wijziging anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
6. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende naar voren gekomen.
[kind 1] en [kind 2] hebben veel meegemaakt in hun leven en met name [kind 1] laat ernstige gedragsproblematiek zien. Vaststaat dat de kinderen zich onder de huidige omstandigheden positief ontwikkelen bij de vader en dat zij daar opgroeien in een stabiele en veilige leefomgeving.
7. De moeder heeft in de afgelopen jaren vele belemmeringen opgeworpen in de samenwerking met BJZ en in haar strijd om een ruimere omgangsregeling met de kinderen te verkrijgen. Zo heeft zij onder meer vele klachten en bedreigingen geuit (zowel telefonisch als schriftelijk) en daarnaast smadelijke teksten verspreid via het internet over BJZ. Ook heeft de moeder de vader op allerlei wijzen proberen zwart te maken.
8. Duidelijk is dat er sprake is van een slechte verstandhouding en van ernstige communicatieproblemen tussen de ouders. De moeder heeft aangegeven bereid te zijn om samen met de vader aan de onderlinge communicatie te werken. De vader ziet daar echter geen heil meer in omdat hij door alle gebeurtenissen in de afgelopen jaren het vertrouwen in de moeder geheel is kwijtgeraakt. Volgens de vader is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis bij de moeder, waardoor zij onder meer niet in staat is om in het belang van de kinderen te handelen. Zij weigert dat echter in te zien en daar hulp voor te zoeken. De vader acht een behoorlijke gezagsuitoefening samen met de moeder niet mogelijk en is van mening dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders.
9. Het hof overweegt op grond van de stukken en de behandeling ter zitting als volgt. De moeder vertoont reeds jarenlang zeer kwalijk gedrag naar vader, de kinderen en BJZ toe. Zij blijft continu onrust veroorzaken. Vanuit meerdere invalshoeken (waaronder ook de huisarts en het AMK) zijn zorgen geuit over de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek bij de moeder. Ook is bij de moeder somatisatieproblematiek geconstateerd. Verder laat zij onvoorspelbaar en instabiel gedrag zien. Daarnaast lijkt zij regelmatig een andere waarheidsbeleving te hebben. De moeder heeft geen inzicht verstrekt in haar eigen NIFP-rapportage. Zij heeft weliswaar het recht om de psychologische rapportage omtrent haar geestelijke gesteldheid niet over te leggen, maar hierdoor blijft er wel veel onduidelijkheid bestaan.
10. Ook de raad heeft ter zitting aangegeven dat de moeder erg lastig kan zijn, kwalijk gedrag vertoont, en dat dit de communicatie met vader (en BJZ) erg bemoeilijkt. De raad heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het kwalijke gedrag van de moeder in het kader van de omgang niet zal veranderen door het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de vader en heeft de zorg geuit dat in dat geval de moeder, bij beëindiging van de ondertoezichtstelling, buiten spel wordt gezet. Volgens de raad is het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de vader daarom niet in het belang van de kinderen. De raad neemt daarbij als uitgangspunt dat de moeder akkoord gaat met hulpverlening voor de kinderen.
11. Het hof deelt de visie van de raad niet. Naar het oordeel van het hof maken de ernstig verstoorde communicatie tussen de ouders, de ernst van de gedragingen van de moeder in de afgelopen jaren en de zorgen ten aanzien van de geestelijke gesteldheid van de moeder, dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders bij het blijven uitoefenen van gezamenlijk gezag. Naar het oordeel van het hof is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Daarnaast acht het hof wijziging van het gezag ook anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk. Anders dan de rechtbank en in afwijking van het advies van de raad, acht het hof het verzoek van de vader dan ook voor toewijzing vatbaar, in die zin dat aan hem het eenhoofdig gezag voortaan zal toekomen.
12. Gebleken is namelijk dat de moeder zal blijven strijden tegen de hoofdverblijfplaats van de kinderen en tegen BJZ. Zo heeft zij ter zitting nog weer aangegeven co-ouderschap over de kinderen te willen en te zullen blijven vechten voor meer omgang en niet te zullen stoppen met klachten richting BJZ. De moeder handelt hiermee niet in het belang van de kinderen. Zij blijft hiermee onrust en spanning veroorzaken. De stelling van de moeder dat zij bereid is om samen te werken aan communicatie staat lijnrecht tegenover haar handelwijze de afgelopen jaren. Ook het feit dat de moeder aangeeft gezagsbeslissingen niet in de weg te staan, maakt niet dat een andere beslissing zal moeten worden genomen nu vanuit verschillende instanties is aangegeven dat de moeder heel onvoorspelbaar en wispelturig kan zijn, waardoor zij het ene moment toezeggingen kan doen en vervolgens het tegenovergestelde beweert. In die situatie kan dan ook -anders dan de raad doet- niet als uitgangspunt worden genomen dat de moeder akkoord zal gaan met hulpverlening voor de kinderen. Dat er bij de vader geen ruimte meer aanwezig is om met de moeder te werken aan communicatie, acht het hof onder de huidige, bestendig blijkende, slechte omstandigheden niet onbegrijpelijk. Het hof hecht geloof aan de stelling van BJZ dat Kinnik in een overleg heeft aangegeven dat het niet in het belang van [kind 1] zal zijn om de moeder te betrekken bij de hulpverlening aan [kind 1] (omdat het juist ook de bedoeling is om [kind 1] weerbaarder te maken) en dat Kinnik dit niet op schrift heeft willen stellen, gelet op de positie die zij in deze hebben.
13. Voorts heeft het hof in zijn oordeel betrokken dat een ondertoezichtstelling in principe als tijdelijke maatregel is bedoeld en dat bij de beëindiging daarvan BJZ geen rol meer kan spelen in het contact tussen de moeder, de kinderen en de vader.
14. De moeder zal moeten respecteren dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader is (en zal blijven) en dat vanuit die situatie de omgang wordt ingevuld. Het hof overweegt hiertoe dat de vader consistent is in zijn bereidheid om, ook indien hij is belast met het eenhoofdig gezag, omgang tussen de moeder en de kinderen te laten plaatsvinden, waarbij hij het belang van de kinderen steeds voorop stelt. BJZ heeft ook benadrukt dat het recht van de moeder op omgang met haar kinderen en het geïnformeerd blijven worden over de kinderen, niet ter discussie staat. Echter doordat de moeder doorgaat met haar strijd, haar manipulatieve gedrag en een emotioneel appel blijft doen op de kinderen, brengt zij schade toe aan de kinderen en beperkt zij de kinderen in hun ontwikkeling. Het hof doet daarom een dringend beroep op de moeder om professionele hulp in te roepen om zich te laten begeleiden.
15. Het hof acht het op grond van vorenstaande overwegingen in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast.
Slotsom
16. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
en opnieuw beslissende:
bepaalt dat de vader belast wordt met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2003], en [kind 2], geboren [in 2007];
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter, G.M. van der Meer en I.A. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 februari 2013 in bijzijn van de griffier.