ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5577

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.115.606/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 RvArtikel CIII Wet herziening gerechtelijke kaart
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenbeschikking inzake statusvoorlichting en omgangsregeling minderjarige

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Assen waarin was bepaald dat de minderjarige statusvoorlichting dient te krijgen en de Raad voor de Kinderbescherming de begeleiding en rapportage verzorgt over een omgangsregeling.

De rechtbank had de zaak aangehouden voor verdere beslissing, waardoor de beschikking niet als eindbeschikking kon worden aangemerkt. Het hof heeft beoordeeld of het hoger beroep ontvankelijk is, waarbij het onderscheid tussen eind- en tussenbeschikking centraal stond.

Het hof oordeelde dat de beschikking geen onherroepelijk karakter heeft en niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, waardoor het geen eindbeschikking is. Daarom is het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard en is het verzoek van de vrouw afgewezen.

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de omgangsregeling en erkenning van het kind, waarbij de rechtbank eerder een raadsonderzoek had gelast en advies ontvangen. Het hof bevestigt hiermee de rechtspraak dat tegen tussenbeschikkingen geen zelfstandig hoger beroep openstaat zonder toestemming van de rechter.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk omdat de beschikking een tussenbeschikking betreft.

Uitspraak

Beschikking d.d. 14 maart 2013
Zaaknummer: 200.115.606/01
HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.J.L.M. Johannink, kantoorhoudende te Coevorden,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L.M. Wagemaker, kantoorhoudende Hoorn.
Belanghebbende
mr. M. Horsten-van Gemeren in haar hoedanigheid van bijzonder curator,
kantoorhoudende te Emmen,
hierna te noemen: de bijzonder curator.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 1 augustus 2012 (zaaknummer 88893 / FA RK 11-2552) heeft de rechtbank Assen bepaald dat de minderjarige [kind], geboren [in 2008] (verder te noemen: [kind]), statusvoorlichting dient te krijgen binnen een termijn van vijf maanden en is de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) opgedragen de vrouw en de minderjarige hierin te begeleiden. De rechtbank heeft daarbij, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de raad opgedragen na de statusvoorlichting te rapporteren en te adviseren inzake een te treffen omgangsregeling.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 26 oktober 2012, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 1 augustus 2012 (verder te noemen: de bestreden beschikking) te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de man af te wijzen.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 7 december 2012, heeft de vader het verzoek van de vrouw in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing ervan onder bekrachtiging van de bestreden beschikking.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlage van de raad van 29 november 2012, de brief van de bijzonder curator van
3 december 2012, de brief met bijlage van mr. Johannink van 23 januari 2013 en het faxbericht van mr. Johannink van 6 februari 2013.
De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 7 februari 2013. Partijen zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts is de bijzonder curator verschenen en is namens de raad verschenen dhr. [namens de raad]. Door mr. Johannink zijn pleitaantekeningen overgelegd.
Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
De beoordeling
Feiten
1. De man, geboren op [in 1986], en de vrouw, geboren [in 1986], hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit [in 2008] [kind] is geboren.
2. De relatie van partijen is tijdens de zwangerschap van de vrouw van [kind] verbroken.
3. [kind] verblijft sinds de relatiebreuk bij de vrouw, die van rechtswege alleen is belast met het ouderlijk gezag over [kind].
4. Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [kind].
5. De man heeft op 26 september 2011 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Assen waarin is verzocht de man vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [kind], tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [kind] van één weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur alsook verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte en ten slotte vaststelling van een informatie- en consultatieverplichting inhoudende dat de vrouw de man éénmaal per maand zal informeren en consulteren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [kind]. Subsidiair is verzocht een bijzonder curator te benoemen.
6. Bij tussenbeschikking van 22 februari 2012, in het dictum gedateerd op 22 januari 2012, heeft de rechtbank een raadsonderzoek gelast. Ter voldoening aan de gegeven opdracht heeft de raad op 29 mei 2012 rapport en advies uitgebracht. Het advies strekt tot afwijzing van het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor erkenning van [kind] en afwijzing van het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling.
7. De rechtbank heeft de zaak ter terechtzitting op 25 juli 2012 opnieuw behandeld en vervolgens bij de bestreden beschikking beslist als hiervoor weergegeven onder het kopje “Het geding in eerste aanleg”. Hiertegen richt zich het appel van de vrouw.
De overwegingen van het hof
De ontvankelijkheid van de vrouw in het hoger beroep
8. Gelet op het bepaalde in artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarin kort gezegd is bepaald dat geen afzonderlijk hoger beroep tegen een tussenbeschikking kan worden ingesteld, behoudens toestemming van de rechter, is allereerst de ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep aan de orde.
9. Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van de beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Daarbij is doorslaggevend of de beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Het hof verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 23 november 2007 (NJ 2007,623).
10. In het onderhavige geval luidt het dictum van de beschikking waarvan beroep woordelijk als volgt:
" Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat de minderjarige [kind], geboren [in 2008], statusvoorlichting dient te krijgen binnen een termijn van
vijf maanden, en draagt de Raad op de vrouw en voornoemde minderjarige
hierin te begeleiden;
- verzoekt de Raad om, na de statusvoorlichting, de rechtbank vóór 6 februari
2013 te rapporteren en te adviseren inzake een te treffen omgangsregeling;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door (…). "
11. Het hof stelt vast dat door de hiervoor geciteerde beslissing van de rechtbank geen eind is gemaakt aan enig deel van het verzochte. Geen van partijen had immers om de statusvoorlichting verzocht. Voorts is de beslissing evenmin uitvoerbaar bij voorraad verklaard door de rechtbank. Naar het oordeel van het hof kan de beslissing dan ook niet worden aangemerkt als een eindbeschikking, zodat de vrouw niet in haar appel kan worden ontvangen.
De slotsom
12. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, G. Jonkman en
H. Lokven-van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 maart 2013 in bijzijn van de griffier.