ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6395
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen uitvoerbaarverklaring en voorlopige voorziening in geschil tussen aandeelhouders
In deze civiele zaak tussen twee besloten vennootschappen, waarbij partijen elk voor de helft aandeelhouder zijn van een derde vennootschap, staat een geschil centraal over de verdeling van een pand en betaling van een rekening-courantvordering. De geïntimeerde vordert uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een eerder vonnis en een voorlopige voorziening tot betaling van voorschotten.
Het hof overweegt dat het vonnis waarop de uitvoerbaarverklaring wordt gevorderd geen expliciete belangenafweging bevat en dat de belangen van de geïntimeerde, die een geldsom moet ontvangen, tegenover de belangen van appellanten, die acute liquiditeitsproblemen hebben, moeten worden afgewogen. Het hof concludeert dat het belang van appellanten bij behoud van de status quo zwaarder weegt en wijst de vordering tot uitvoerbaarverklaring af.
Ook de vordering tot voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat niet vaststaat dat de geïntimeerde recht heeft op betaling en haar onderbouwing onvoldoende is, mede omdat de belangen van een bestuurder niet relevant zijn. Het hof gelast een comparitie van partijen om een minnelijke regeling te beproeven en houdt verdere beslissingen aan tot het eindarrest.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en voorlopige voorziening af en gelast een comparitie van partijen.