ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6788

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 februari 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.110.434
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHVArtikel 2, eerste lid, onder c, Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11, eerste lid, onderdeel c, Besluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter wegens proceduregebrek bij zekerheidstelling bestuursrechtelijke sanctie

Betrokkene had tegen een bestuursrechtelijke sanctie een beroep ingesteld bij de kantonrechter, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat betrokkene niet tijdig zekerheid had gesteld voor betaling van de sanctie en administratiekosten.

Betrokkene stelde dat hem telefonisch uitstel was verleend vanwege zijn financiële situatie, maar deze telefoonnotitie ontbrak in het dossier en hij was niet gewezen op de noodzaak van een schriftelijk draagkrachtverweer binnen de termijn.

Het hof stelde vast dat de CVOM wel een notitie had gemaakt van het telefoongesprek, waarin uitstel werd gevraagd, maar dat niet duidelijk was dat uitstel was toegezegd. Het hof oordeelde dat het ontbreken van de telefoonnotitie in het dossier en het niet informeren van betrokkene over de schriftelijke procedure een proceduregebrek vormde.

Daarom vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Tevens kende het hof een vergoeding toe voor de reiskosten van betrokkene in verband met de zitting van het hof.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd wegens proceduregebrek en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

WAHV 200.110.434
27 februari 2013
CJIB 151023126
Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 6 juni 2012
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Wel is verzocht om een behandeling ter zitting.
De zaak is behandeld ter zitting van 13 februari 2013. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C.T. Brontsema.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en de administratiekosten.
2. De betrokkene voert aan dat hem uitstel is verleend van de verplichting tot zekerheidstelling. Hij heeft gebeld met de afdeling die over zekerheidstelling gaat, meegedeeld dat hij nog niet kan betalen en om uitstel verzocht. De medewerker zei dat het kon en heeft daar een notitie van gemaakt. Hij verzoekt de zaak inhoudelijk te beoordelen.
3. Bij de stukken van het geding bevinden zich afschriften van twee brieven van de officier van justitie van 1 november 2011 en 18 november 2011, waarin aan de betrokkene mededeling is gedaan van de verplichting tot het stellen van zekerheid. Ingevolge deze brieven diende de betrokkene uiterlijk 2 december 2011 zekerheid te hebben gesteld tot een bedrag van € 186,-. De zekerheidstelling is blijkens het zaakoverzicht van het CJIB ontvangen op 30 december 2011. Het dossier bevat geen telefoonnotitie van een gesprek zoals door de betrokkene gesteld.
4. Ter zitting van het hof heeft de betrokkene de naam genoemd van de CVOM-medewerker waarmee hij telefonisch heeft gesproken. Hij weet niet meer op welke datum hij heeft gebeld. Toen hij uitlegde dat hij een bijstandsuitkering ontving en schulden had is de betrokkene meegedeeld dat van dit telefoongesprek een notitie zou worden gemaakt en dat uitstel normaliter geen probleem is. Er is hem niet meegedeeld tot wanneer hij uitstel zou krijgen. Hij heeft betaald zodra hij kon. De betrokkene wist niet dat indien hij niet tijdig zekerheid kon stellen, hij daarover een brief had moeten sturen. Had hij dat wel geweten, dan zou hij zeker een brief hebben gestuurd.
5. De advocaat-generaal heeft ter zitting meegedeeld dat bij onderzoek is gebleken dat de betrokkene op 28 november 2011 met de CVOM heeft gebeld. De van dat gesprek gemaakte notitie luidt: "betrokkene vraagt om uitstel zekerheidstelling. Rond 20 december zal er betaald worden." Of de betreffende CVOM-medewerker de betrokkene geadviseerd heeft een brief te sturen, is niet bekend. Nu uit deze telefoonnotitie niet blijkt dat de betrokkene de toezegging is gedaan dat hij uitstel krijgt van de verplichting tot zekerheidstelling en de betrokkene te laat zekerheid heeft gesteld, dient de beslissing van de kantonrechter te worden bevestigd, aldus de advocaat-generaal.
6. Uit de telefoonnotitie van de CVOM blijkt genoegzaam dat de betrokken voor het einde van de termijn waarbinnen hij zekerheid diende te stellen uitstel heeft verzocht van de verplichting tot zekerheidstelling, omdat hij vanwege financiële omstandigheden niet terstond in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag. Het is aan de kantonrechter om een dergelijk draagkrachtverweer te beoordelen. Om de kantonrechter daartoe in staat te stellen, had de officier van justitie (de CVOM) een print van de telefoonnotitie van 28 november 2011, zijnde een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WAHV, aan het dossier dienen toe te voegen voordat dit aan de rechtbank werd toegezonden, danwel de betrokkene er tijdens het telefoongesprek op moeten wijzen dat een draagkrachtverweer schriftelijk moet worden gevoerd binnen de termijn waarbinnen zekerheid moet worden gesteld. Geen van beide is gebeurd. Dit betekent dat er een gebrek kleeft aan de procedure die voorafgaat aan de bestreden beslissing. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de zaak terugwijzen.
7. Het hof ziet in de vernietiging van de beslissing van de kantonrechter aanleiding de betrokkene een vergoeding tot te kennen voor de door hem gemaakte reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van het hof op 13 februari 2013. De reiskosten worden ingevolge het toepasselijke artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. In dit geval wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 47,24 ([woonplaats]-Leeuwarden v.v. per tram en trein).
8. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 47,24.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.