ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7067
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement met schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende inzicht en goede trouw
De rechtbank Almelo wees het verzoek van appellant tot opheffing van zijn faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af omdat niet aan de voorwaarden van artikel 3 lid 1 juncto Pro artikel 15b Faillissementswet was voldaan. Appellant had niet binnen de gestelde termijn een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend, ondanks dat hij destijds in detentie zat.
In hoger beroep behandelde het hof de zaak inhoudelijk vanwege de noodzaak van een snelle uitspraak en het ontbreken van gezag van gewijsde. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende inzicht had gegeven in de omvang, ontstaansdata en aard van een substantieel deel van zijn schuldenlast. Tevens was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden.
De schuldenlast bedroeg ruim €262.000, waaronder aanzienlijke belastingschulden en een grote schuld aan de voormalige echtgenote. Appellant leverde geen bewijs dat hij de schulden aan het CJIB had voldaan. Het hof concludeerde dat appellant geen deugdelijke administratie had gevoerd en onvoldoende medewerking verleende om zijn goede trouw aannemelijk te maken.
Het hoger beroep faalde en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo, van 29 januari 2013. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing konden leiden.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot opheffing van het faillissement met schuldsaneringsregeling afwijst.