AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak wegens ontbreken normdocument en rapport bodemonderzoek bij verwijdering opslagtank
Verdachte werd beschuldigd van het niet volgens het Besluit bodemkwaliteit laten verwijderen van een opslagtank door een erkend bedrijf en het niet tijdig toezenden van een bodemkwaliteitsrapport aan het bevoegde gezag.
Het hof stelde vast dat het normdocument waarop de tenlastelegging was gebaseerd niet in het dossier aanwezig was, noch een ministeriële aanwijzing daarvan. Hierdoor kon niet worden bewezen dat verdachte niet overeenkomstig het normdocument had gehandeld.
Daarnaast kon niet worden vastgesteld dat het bodemonderzoek dat verdachte had toegezonden niet voldeed aan de wettelijke eisen, waardoor ook dit verwijt niet bewezen kon worden.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van het normdocument en onvoldoende bewijs omtrent het bodemrapport.
Uitspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Locatie Leeuwarden
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 24-001584-12
Uitspraak d.d.: 15 april 2013
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 juni 2012 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1968],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 april 2013.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het misdrijf in het eerste gedeelte van de tenlastelegging tot een geldboete van € 2.000,=, subsidiair 30 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2011 tot en met 21 juni 2011 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk het verwijderen of onklaar maken van een opslagtank, met de daarbij behorende leidingen en appendages, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument laten geschieden door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit, immers heeft hij van het perceel aan de [adres] een ondergrondse brandstoftank zelf afgevoerd naar een oudijzer-inzamelingsbedrijf,
en/of
hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2011 tot en met 1 oktober 2011 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk terwijl in de inrichting een brandstoftank is verwijderd, althans een bodembedreigende activiteit is verricht, niet binnen zes maanden na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof en/of afgewerkte olie en/of pekel in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit heeft toegezonden aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], althans aan het bevoegd gezag.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat hij de opslagtank heeft laten leegzuigen door een gecertificeerd bedrijf, [bedrijf 1], en dat hij de opslagtank heeft afgevoerd naar een erkend verwerkingsbedrijf, [bedrijf 2]. Verder is uit een reeds in april 2011 aan de gemeente toegezonden bodemonderzoek gebleken dat de grond rondom de opslagtank niet is verontreinigd. Verdachte is van mening dat hij aldus aan de voor hem geldende verplichtingen heeft voldaan.
Aan verdachte zijn tenlastegelegd overtredingen van voorschriften gesteld krachtens artikel 8:40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, te weten, in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van het op artikel 3.30 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) gebaseerde artikel 3.37, vierde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: de Regeling) en, in het tweede gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.
Deze bepalingen gelden slechts indien sprake is van een inrichting. In het tweede gedeelte van de tenlastelegging is het woord inrichting, als te bewijzen onderdeel van de tenlastelegging, opgenomen.
Het begrip inrichting is omschreven in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Onder inrichting wordt verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.
Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo bepaalt artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer vervolgens, categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.
Dit laatste is gebeurd in het Besluit omgevingsrecht. Artikel 2.1, eerste lid, van dit besluit wijst de in bijlage I bij dit besluit, onderdelen B en C, genoemde categorieën van inrichtingen aan als categorieën van inrichtingen bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.
In onderdeel C is, voor zover hier van belang, opgenomen:
Categorie 5
• 5.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.
In het perceel, waarvan verdachte eigenaar is, is een dieselolietank aangetroffen met een inhoud van meer dan 1 m3. In die tank bevond zich een restant olie. Vastgesteld kan worden dat sprake is van een bedrijvigheid, te weten het opslaan van ontvlambare of brandbare vloeistoffen, die binnen een zekere begrenzing (de tank) pleegt (met een zekere tijdsduur) te worden verricht. De vraag of hier ook sprake is van een bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is ondernomen bedrijvigheid, zal het hof niet beantwoorden.
Immers, ook indien deze vraag, veronderstellenderwijs, bevestigend zou worden beantwoord en er mitsdien van wordt uitgegaan dat sprake is van een inrichting in de zin van (artikel 1.1 van) de Wet milieubeheer, dan nog kan niet tot een veroordeling van verdachte worden gekomen.
Niet kan worden vastgesteld dat verdachte, zoals omschreven in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft gehandeld. In het dossier bevindt zich niet het normdocument waarop de steller van de tenlastelegging het oog heeft en waarin (kennelijk) zou moeten staan dat een ondergrondse brandstoftank moet worden afgevoerd door een bedrijf dat beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Evenmin bevindt zich in het dossier de ministeriële aanwijzing van een dergelijk normdocument op de voet van artikel 25 vanPro het Besluit bodemkwaliteit. In het dossier bevindt zich wat dit betreft slechts, in de brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] van 24 maart 2011, een verwijzing naar een (niet bijgevoegde) beoordelingsrichtlijn.
Het tweede gedeelte van de tenlastelegging kan, gelijk de economische politierechter en de advocaat-generaal, evenmin worden bewezen, reeds hierom niet nu niet kan worden vastgesteld dat het bodemonderzoek dat verdachte voor het einde van de tenlastgelegde periode aan het college van burgemeester en wethouders heeft doen toekomen, niet kan worden beschouwd als rapport in de zin van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.
Verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheer, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda, senior raadsheer, en mr. E. de Witt, raadsheer,
in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,
en op 15 april 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.