ECLI:NL:GHARL:2013:CA2622

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.124.125
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 onder d FwArt. 350 lid 3 onder a FwArt. 350 lid 3 onder b FwArt. 350 lid 3 onder d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens eerdere regeling binnen tien jaar

Appellante, weduwe en moeder van vier kinderen, verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Eerder was op haar en haar overleden echtgenoot reeds een schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, welke in 2008 tussentijds werd beëindigd wegens toerekenbare tekortkomingen zoals het niet nakomen van informatie- en sollicitatieverplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden.

De rechtbank wees het verzoek van appellante af omdat het binnen de wettelijke termijn van tien jaar viel sinds de eerdere regeling en geen van de uitzonderingen op deze afwijzingsgrond van toepassing was. Appellante voerde aan dat zij onvoldoende geïnformeerd was door haar echtgenoot en bewindvoerder, maar dit weerlegde het hof op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank en bekrachtigde het vonnis, waarmee het verzoek tot schuldsanering werd afgewezen. De schuldenlast van appellante bedroeg ruim €49.000,-, waaronder een grote schuld aan SNS Bank en diverse belastingschulden. Het hoger beroep faalde omdat geen van de wettelijke uitzonderingen op de afwijzingsgrond van toepassing was.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af vanwege een eerdere regeling binnen tien jaar die onherroepelijk werd beëindigd wegens toerekenbare tekortkomingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.124.125
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/337322)
arrest van de eerste civiele kamer van 30 mei 2013
inzake
[verzoekster],
wonende te [Woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. G.A. Speelman.
1. Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 maart 2013 is het verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 25 maart 2013 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te wijzen.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, alsmede van de brief met bijlagen van 14 mei 2013 van mr. Speelman.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013, waarbij [appellante] is verschenen, vergezeld van haar zoon en zwager alsmede van mevrouw M. Zwezerijnen, maatschappelijk werkster, en bijgestaan door mr. Speelman.
2.4 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Speelman een ‘Schuldenoverzicht mei 2013’ aan het hof overgelegd.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellante], geboren op [geboortedatum] 1965, is gehuwd geweest met [A] (hierna te noemen: [A]). Uit dat huwelijk zijn vier kinderen geboren. Op [datum] 2011 heeft [A] zich van het leven beroofd.
[appellante] vormt met haar jongste twee kinderen (15 en 10 jaar oud) een gezin. Blijkens de Verklaring Schuldsanering van 18 januari 2013 ontvangt [appellante] een ANW-uitkering van
€ 1.046,64 netto per maand (exclusief vakantiegeld) en € 292,02 netto per maand aan pensioen.
3.2 Op [appellante] en [A] is eerder, bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 17 januari 2007, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van
25 februari 2008 heeft voornoemde rechtbank de toepassing van de wettelijke schuldsane-ringsregeling van [appellante] en [A] tussentijds beëindigd, kort gezegd, omdat [appellante] en [A] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de informatieverplichting, waardoor zeer waarschijnlijk ook een boedelachterstand is ontstaan, alsmede in de sollicitatieverplich-ting en in de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan, en omdat sprake is van benadeling van schuldeisers, door schulden aan privépersonen af te lossen waardoor de renteachterstand in de hypotheek is opgelopen. Tegen dat vonnis is door [appellante] noch [A] hoger beroep ingesteld, zodat dat vonnis onherroepelijk is geworden.
3.3 De schuldenlast van [appellante] bedraagt volgens het bij de Verklaring Schuldsanering gevoegde schuldenoverzicht van 18 januari 2013 in totaal ruim € 49.000,-. Tot deze schuldenlast behoren onder meer een schuld aan SNS Bank van € 35.557,-, twee schulden aan de Belastingdienst Amersfoort van € 1.221,- en € 1.290,- en twee schulden aan de gemeente Amersfoort van € 834,59 en € 1.500,-.
3.4 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuld-saneringsregeling afgewezen en daaraan het volgende ten grondslag gelegd.
Vaststaat dat [appellante] haar verzoekschrift niet buiten de bij artikel 288 lid 2 onder Pro d van de Faillissementswet (hierna: Fw) dwingend voorgeschreven termijn van tien jaar heeft ingediend. Derhalve dient beoordeeld te worden of zich één van de drie in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw genoemde uitzonderingen op deze afwijzingsgrond voordoet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009, LJN BH 7357, blijkt dat aan deze bepaling strikt de hand dient te worden gehouden en dat de uitzonderingen op de afwijzingsgrond niet dienen te worden uitgebreid. Deze uitzonderingen doen zich voor, indien de eerdere schuldsane-ringsregeling is afgesloten bij volledige voldoening van de schulden, wanneer de schuldenares in staat was haar betalingen te hervatten, alsmede wanneer de regeling is beëindigd vanwege het doen of laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden en het ontstaan van die schulden niet aan de schuldenares was toe te rekenen.
Uit het vonnis van 25 februari 2008 blijkt - nog steeds volgens de rechtbank - dat de schuldsaneringsregeling werd beëindigd omdat [appellante], kort samengevat, toerekenbaar tekort is geschoten in alle verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling, waaronder de voor haar in persoon geldende sollicitatieverplichting, doch ook het laten ontstaan van nieuwe schulden, zoals de renteachterstand ter zake van de hypotheekschuld. Derhalve oordeelde de rechtbank dat er geen sprake is van de situatie, zoals de zoon van [appellante] mogelijk heeft willen betogen, dat de schuldsaneringsregeling enkel is beëindigd op grond van het laten ontstaan bovenmatige nieuwe schulden, waarvan het ontstaan - vanwege het gestelde onjuiste handelen van de bewindvoerder - niet aan [appellante] was toe te rekenen.
Hoewel de motieven van [appellante] om een nieuw verzoek te doen tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, aldus de rechtbank, achtenswaardig zijn en oprecht overkomen, maar omdat geen sprake is van één van de genoemde uitzonderingen, dient het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toch te worden afgewezen, aldus de rechtbank.
3.5 Het hof oordeelt als volgt. Uit het hiervoor onder 3.2 genoemde vonnis van
25 februari 2008 volgt dat op [appellante] minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en dat van beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 onder Pro a, b of d Fw (om redenen die [appellante] niet waren toe te rekenen) geen sprake is geweest. Deze omstandigheid levert ingevolge het bepaalde in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw een imperatieve afwijzingsgrond op, zodat het verzoek van [appellante] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.
Het verweer van [appellante] dat, kort samengevat, erop neerkomt dat [A] haar gedurende de vorige schuldsaneringsregeling over veel (financiële) aangelegenheden onwetend heeft gelaten (waardoor tijdens die regeling onder andere nieuwe schulden zijn ontstaan) en dat ook de destijds aangestelde bewindvoerder haar nauwelijks van informatie voorzag, kan genoemde imperatieve afwijzingsgrond niet opzij zetten. Het hof verwijst ter zake naar het genoemde arrest van de Hoge Raad (12 juni 2009, NJ 2009, 269).
3.6 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 maart 2013.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. van Ginkel, L.J. de Kerpel-van de Poel en L.M. Croes, en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, en op 30 mei 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.