Belanghebbende deed aangifte BPM en betaalde €4.657, waarna zij bezwaar maakte tegen de heffing. De Inspecteur verklaarde het bezwaar gegrond en verlaagde de BPM tot €4.110, met een proceskostenvergoeding van €54,50. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de proceskostenvergoeding, die zij berekende op €2.000, en subsidiair op basis van forfaitaire normen.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur rechtmatig handelde door het toepasselijke artikel 10, lid 2, Wet BPM toe te passen tot het arrest van de Hoge Raad dat dit artikel onverbindend verklaarde. Er was geen sprake van onzorgvuldig of opzettelijk handelen. De matiging van de proceskostenvergoeding wegens samenhang met andere zaken was terecht. Wel werd belanghebbende een vergoeding wegens rentederving toegekend over de periode van onverschuldigde belasting.
Daarnaast werd belanghebbende in het gelijk gesteld voor de proceskosten in beroep en hoger beroep, met een vergoeding van €2.435 en vergoeding van griffierechten. Het hoger beroep werd daarmee deels gegrond verklaard, met bevestiging van de rechtbankuitspraak voor het overige.