In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het gebruik van een zomerhuisje door geïntimeerde kwalificeert als een bruikleen- of huurovereenkomst. Appellanten vorderden ontruiming en stelden dat geen sprake was van een huurovereenkomst maar van gebruik om niet. De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde deze vonnissen in hoger beroep.
Het hof stelde vast dat geïntimeerde het zomerhuisje op grond van een afspraak in een onderhandse akte uit 2004 mocht gebruiken totdat hij een nieuwe woning zou vinden. Er was geen financiële tegenprestatie aan appellanten verschuldigd, zodat geen sprake was van een huurovereenkomst maar van een bruikleenovereenkomst. Geïntimeerde had onvoldoende inspanningen geleverd om een nieuwe woning te vinden.
Daarom achtte het hof de beëindiging van de bruikleenovereenkomst gerechtvaardigd en kende het de ontruimingsvordering toe met een termijn van drie maanden om het zomerhuisje te verlaten. Het beroep van geïntimeerde op verrekening en retentierecht faalde. De reconventionele vordering van geïntimeerde werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De kosten werden gecompenseerd en het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.