De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het ministerie van Veiligheid en Justitie wilde deze straf en maatregel overdragen aan Roemenië voor verdere tenuitvoerlegging. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze overdracht, omdat in Roemenië geen strafrechtelijk equivalent van de TBS-maatregel bestaat en onduidelijk is of hij daar adequaat behandeld kan worden.
Tijdens de raadkamerbehandeling bleek dat het ministerie het noodzakelijk acht dat zowel de gevangenisstraf als de TBS-maatregel worden overgedragen, maar het onderzoek naar de mogelijkheden en het zorgniveau in Roemenië nog niet is afgerond. De veroordeelde en zijn raadsman stelden dat het besluit onredelijk en onvoldoende gemotiveerd was, terwijl het openbaar ministerie voorstelde de zaak aan te houden voor nader onderzoek.
Het hof oordeelt dat het verzoek tot nader onderzoek wordt afgewezen omdat de noodzaak daarvoor niet is aangetoond. Het hof stelt vast dat de minister niet in redelijkheid tot de voorgenomen overdracht kan komen gezien het ontbreken van duidelijkheid over de overdraagbaarheid van de TBS-maatregel en het zorgniveau in Roemenië. Daarom verklaart het hof het bezwaarschrift gegrond en wijst de overdracht af.