Uitspraak
[appellante],
1.[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
3. [geïntimeerde 3],
[geïntimeerden],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de ontbinding van een aannemingsovereenkomst centraal. Het hof Arnhem-Leeuwarden kwam na ontvangst van een deskundigenrapport terug op een eerder voorlopig oordeel en oordeelde dat volledige ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 7:756 BW Pro het meest recht doet aan de situatie.
De deskundige stelde de herstelkosten van de bedrijfsloods vast op ruim € 71.000 exclusief BTW, waarbij na verrekening van reeds aanwezige materialen nog een bedrag van ruim € 51.000 resteerde. Het hof achtte dit bedrag substantieel, omdat het bijna de helft van de aanneemsom van € 113.000 betrof. Daarnaast bleken de voorgestelde herstelmethoden af te wijken van het oorspronkelijke contract, wat tot waardevermindering en extra kosten leidde.
Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht de volledige ontbinding had uitgesproken, ook al was deze grond niet expliciet aangevoerd in eerste aanleg. De vordering van appellante tot medewerking aan afbraak en verwijdering van materialen werd toegewezen onder dwangsom. Andere vorderingen, zoals het terugbrengen van het terrein in oorspronkelijke staat, werden afgewezen wegens onbepaaldheid en gebrek aan rechtsgrond.
De kosten werden verdeeld waarbij appellante werd veroordeeld tot betaling van de kosten van het principaal appel en geïntimeerden tot betaling van de kosten van het incidenteel appel en het incident. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het appellante veroordeelde tot betaling van een schadepost en wees deze vordering af.
De incidentele grieven faalden en het meer of anders gevorderde werd afgewezen. Het arrest werd uitgesproken op 18 februari 2014 door het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof bevestigt volledige ontbinding van de aannemingsovereenkomst en wijst vorderingen tot medewerking aan afbraak toe onder dwangsom.