In deze zaak gaat het om een aannemingsovereenkomst tussen [appellanten] en [failliet bedrijf] die tijdens de bouw failliet is verklaard. De curator weigert de overeenkomst voort te zetten. [appellanten] lieten de woning door een andere aannemer afbouwen en vorderen onder meer de vrijgave van een waarborgsom van 10% van de aannemingssom die bij een notaris in depot stond.
De rechtbank had de curator deels veroordeeld tot vrijgave van een deel van de waarborgsom, maar het hof oordeelt dat de curator geen aanspraak kan maken op de waarborgsom omdat de laatste termijn niet opeisbaar was. De overeenkomst blijft in stand ondanks niet-gestanddoening door de curator, en [appellanten] kunnen de overeenkomst niet ontbinden maar wel schadevergoeding vorderen.
Het hof stelt dat de curator recht heeft op vergoeding van de door de failliet verrichte, onbetaalde werkzaamheden, maar dat de curator bewijs moet leveren van de hoogte van deze vordering. Ook wordt een comparitie van partijen gelast om nadere inlichtingen te verkrijgen en een mogelijke schikking te onderzoeken.
De vordering tot betaling van wettelijke rente over de waarborgsom wordt afgewezen, en de curator kan niet onvoorwaardelijk aanspraak maken op de waarborgsom. De bouwtijdclaim en meerkosten zijn in beginsel verrekenbaar met de schuld aan de curator, maar door cessie en retrocessie zijn er nuances.
De zaak wordt aangehouden voor een comparitie en verdere beslissing. Het arrest is gewezen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 februari 2014.