In deze strafzaak heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van vrijspraak. Tijdens het hoger beroep verzocht de advocaat-generaal om de behandeling te heropenen om een getuige te horen, omdat de raadsman van de verdachte had betoogd dat de getuige zich mogelijk vergiste over een crucale observatie.
Het hof overwoog dat het horen van de getuige zou leiden tot vertraging van de zaak, en dat verschillende belangen, waaronder het belang van een voortvarende afdoening en het belang van de verdachte die al geruime tijd onder dreiging van vervolging leeft, zwaarder wegen dan het belang van het openbaar ministerie bij nader onderzoek.
Verder stelde het hof vast dat het betoog van de raadsman niet nieuw was en dat het verzoek tot nader onderzoek pas laat werd gedaan. Ook werd meegewogen dat de ouders van het slachtoffer als benadeelde partij betrokken zijn en aanwezig waren bij de zittingen.
Het hof concludeerde dat het verzoek tot nader onderzoek niet noodzakelijk was en bevestigde het vonnis van vrijspraak van de rechtbank. De vordering tot het horen van de getuige werd afgewezen.