Belanghebbende betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn recreatiewoning per 1 januari 2010, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld op €209.000. Hij voerde aan dat de gebruikte referentieobjecten niet goed vergelijkbaar waren en dat met verschillen in inhoud en perceeloppervlakte onvoldoende rekening was gehouden, en stelde een waarde van €175.000 voor.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport van gecertificeerde WOZ-taxateurs, waarin drie vergelijkbare referentieobjecten op hetzelfde recreatiepark werden gebruikt. Het hof oordeelde dat de taxatie en waarderingsmethode, inclusief de gehanteerde waarderingsparameters voor inhoud en perceel, voldoende betrouwbaar waren en dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan.
Het hof verwierp de door belanghebbende aangevoerde argumenten over faillissementsverkopen, interne ligging en waardeontwikkeling, en stelde dat de oorspronkelijke stichtingskosten en prijzen uit 2003 niet relevant zijn voor de WOZ-waarde in 2010. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan bewijs van bevoordeling.
Daarmee bleef de WOZ-waarde van €209.000 ongewijzigd. Het hof wees het hoger beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.