ECLI:NL:GHARL:2014:169

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2014
Publicatiedatum
14 januari 2014
Zaaknummer
200.056.167
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 225 lid 1, aanhef en onder c RvArt. 227 lid 1, aanhef en onder b Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot snoei van bomen en rechtsopvolging onder bijzondere titel

In deze civiele zaak vorderen verzoekers dat de bomen op een perceel worden gesnoeid. De oorspronkelijke eigenaar, verweerder, heeft het perceel verkocht aan een derde, A, waardoor hij niet langer eigenaar is en niet meer over de bomen kan beschikken. Verweerder beroept zich op artikel 225 lid Pro 1, aanhef en onder c Rv om het geding te schorsen wegens rechtsopvolging onder bijzondere titel.

Het hof bevestigt dat deze schorsingsgrond van toepassing is en erkent het belang van verweerder bij de schorsing, omdat hij niet meer kan voldoen aan een eventuele veroordeling. Het geding blijft echter niet stilgelegd; verzoekers kunnen het proces hervatten en A als nieuwe eigenaar op grond van artikel 118 Rv Pro als partij oproepen.

Het hof wijst het verzoek tot oproeping van A toe, omdat deze betrokken is bij de materiële rechtsverhouding en beslissingen die tegen verweerder worden genomen ook A moeten binden. De schorsing blijft van kracht tot verzoekers het geding hervatten. Verdere beslissingen, waaronder over de kosten, worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof bevestigt de schorsing wegens rechtsopvolging en staat toe dat de nieuwe eigenaar als partij wordt opgeroepen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.056.167
(zaaknummer rechtbank Almelo 98508)
arrest van de eerste kamer van 14 januari 2014
in onder meer het schorsingsincident als bedoeld in artikel 225 lid Pro 1, aanhef en onder c. Rv van

1.[verzoeker 1]

2
[verzoeker 2],
beiden wonende te Enschede,
appellanten,
verweerders in het incident,
hierna: [verzoekers],
advocaat: mr. G.J. Hollema,
tegen:
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
eiser in het incident,
hierna: [verweerder],
advocaat: mr. M. Goorhuis Oude Sanderink.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 oktober 2012 hier over.
1.1
Het verdere verloop blijkt uit:
- het schriftelijk deskundigenbericht van 15 februari 2013;
- de begrotingsbeschikking d.d. 7 maart 2013;
- de memorie na deskundigenrapport, tevens houdende wijziging van eis met producties, van [verzoekers];
- de akte schorsing rechtsgeding van [verweerder] d.d. 28 mei 2013;
- de antwoordakte schorsing rechtsgeding van [verzoekers] d.d. 25 juni 2013.
1.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Naar tussen partijen vaststaat, heeft [verweerder] zijn woning en perceel aan de [adres] te [plaats] verkocht en op 20 december 2012 overgedragen aan [A]. [verzoekers] hebben bij hun memorie na deskundigenrapport, tevens houdende wijziging van eis gevorderd dat de procedure tegen [verweerder] wordt voortgezet en (als subsidiair aangeduid) verzocht hen toe te staan om [A] op de voet van artikel 118 Rv Pro op te roepen als partij in het geding. Bij akte heeft [verweerder] vervolgens met een beroep op artikel 225 lid Pro 1, aanhef en onder c. Rv als schorsingsgrond aangevoerd dat hij is opgehouden eigenaar te zijn van het perceel en daarom niet meer de beschikking heeft over de bomen op dat perceel, zodat het niet meer in zijn macht ligt om tot de door [verzoekers] gevorderde verwijdering dan wel snoei van die bomen over te gaan. [verzoekers] hebben bij akte erkend dat dit een situatie is als bedoeld in dat wetsartikel. Zij hebben zich echter tegen schorsing verzet op de grond dat [verweerder] niet heeft aangevoerd welk belang hij bij de schorsing heeft en tot wanneer die schorsing zou moeten duren.
2.2
Naar aanleiding hiervan oordeelt het hof als volgt.
Blijkens de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 395) heeft de wetgever bij de wijziging van artikel 225 Rv Pro per 1 januari 2002 aangetekend dat onder het ophouden van de rechtsbetrekkingen waarin een partij het geding voerde door een andere oorzaak dan overlijden het geval is begrepen van rechtsopvolging onder bijzondere titel. Partijen zijn het erover eens dat deze schorsingsgrond zich voordoet. Het hof sluit zich daarbij aan. Willemsens belang bij de schorsing kan hierin zijn gelegen dat hij, ingeval van een eventuele veroordeling, daaraan niet meer kan voldoen omdat hij geen eigenaar meer van de bomen is. Dit is een voldoende belang waaraan enige vertraging geen afbreuk doet.
2.3
Daarmee is [verweerder] echter nog niet van het proces af. [verzoekers] hebben immers de bevoegdheid om op de voet van artikel 227 lid Pro 1, aanhef en onder b. Rv hetzij bij exploot hetzij -mits [verweerder] daarmee instemt- bij akte ter rolle te verklaren dat het geding wordt hervat, al was het maar over de vraag of [verweerder] het werkelijk niet meer in zijn macht heeft (voorbehouden) om de bomen te (laten) verwijderen of snoeien en over de vraag met betrekking tot de proceskosten.
2.4
[A] is als rechtsopvolger onder bijzondere titel van [verweerder] de nieuwe eigenaar van het perceel, die het in ieder geval in zijn macht heeft om tot verwijdering of snoei van de bomen over te gaan. Daardoor is hij zozeer bij de materiële rechtsverhouding tussen de procespartijen betrokken geraakt dat [verzoekers], die [A] als derde willen oproepen, er belang bij hebben dat hun vordering mede of alleen tegen [A] wordt toegewezen, althans dat beslissingen die in het geding met [verweerder] worden genomen (ook) [A] zullen binden. Hun verzoek tot oproeping zal daarom op de voet van artikel 118 Rv Pro worden toegewezen.

3.Slotsom

3.1
Het geding is sedert 28 mei 2013 geschorst. [verzoekers] zijn bevoegd om te verklaren dat het geding wordt hervat. [verzoekers] mogen [A] als partij in het geding roepen.
3.2
Iedere verdere beslissing, ook die over de kosten, zal worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verstaat dat het geding ingevolge artikel 225 Rv Pro is geschorst sedert 28 mei 2013;
verstaat dat [verzoekers] bevoegd zijn met inachtneming van artikel 227 Rv Pro te verklaren dat het geding wordt hervat;
staat toe dat [verzoekers] [A] met inachtneming van de voorschriften van artikel 118 Rv Pro in het geding roepen tegen een na de hervatting gelegen roldatum;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, K.J. Haarhuis en D. Stoutjesdijk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2014.