ECLI:NL:GHARL:2014:1860
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beschikking inzake gezag en hoofdverblijf minderjarige na vervangende erkenning
In deze zaak staat het geschil tussen de vader en moeder over het gezag en de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind centraal. De vader heeft vervangende toestemming tot erkenning van het kind gekregen, maar zijn verzoeken tot het verkrijgen van het gezag en wijziging van het hoofdverblijf zijn door de rechtbank afgewezen. De vader is hiertegen in hoger beroep gekomen. De moeder heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de erkenning.
Het hof overweegt dat er geen reden is om de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren en bekrachtigt dit deel van de beschikking. Wel is het hof van oordeel dat het belang van het kind onvoldoende is gewaarborgd indien het gezag aan de vader wordt toegekend, mede vanwege twijfels over zijn opvoedingsvaardigheden en zijn manipulatief gedrag richting hulpverlening. De moeder staat onder curatele en is niet in staat het gezag uit te oefenen. De ambivalente en ongebalanceerde verhouding tussen de ouders speelt ook een rol.
De voorgestelde opname van het kind met de vader wordt prematuur geacht, mede omdat BJZ twijfels heeft over het slagen daarvan. Het hof beveelt zorgvuldige afweging van risico's en alternatieven bij de definitieve beslissing door BJZ. Omdat het gezag niet aan de vader wordt toegekend, komt het hof niet toe aan de beoordeling van het hoofdverblijf. De bestreden beschikking wordt in zijn geheel bekrachtigd.
De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 6 maart 2014, waarbij de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 15 mei 2013 wordt bevestigd.
Uitkomst: De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd; de vader krijgt geen gezag en geen wijziging hoofdverblijf, de vervangende erkenning blijft gehandhaafd.