Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak die vanaf 2005 werd verhuurd aan een BV waarin zijn kinderen belangen hebben. In 2008 werd de huurovereenkomst beëindigd en een nieuwe huurovereenkomst gesloten met een andere BV waarvan belanghebbende alle aandelen houdt. Na faillissement van deze BV ontstond discussie over de fiscale behandeling van de terbeschikkingstelling en de aftrekbaarheid van diverse kosten.
De Inspecteur stelde correcties vast in het belastingaanslagjaar 2008, met name over de aftrekbaarheid van kosten gerelateerd aan de terbeschikkingstelling en het voordeel uit sparen en beleggen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof oordeelt dat de verhuur aan de BV een terbeschikkingstelling betreft, maar dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de inventaris aan de BV ter beschikking is gesteld. Diverse kostenposten, waaronder betaling aan de curator, herstelkosten en huurschade, worden niet als aftrekbare kosten erkend. Ook het beroep op interne compensatie door de Inspecteur wordt bevestigd, waardoor het belastbare inkomen niet wordt verminderd.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.