De heffingsambtenaar stelde de waarde van vijf onroerende zaken in Enschede vast in één geschrift. Belanghebbende maakte tegen deze WOZ-beschikkingen bezwaar via vijf afzonderlijke bezwaarschriften en vroeg vergoeding van proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De heffingsambtenaar kende slechts één punt toe voor de proceskosten, terwijl belanghebbende vijf punten vorderde.
De rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk en verhoogde de vergoeding. De heffingsambtenaar ging hiertegen in hoger beroep. Het hof volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat bij meerdere besluiten in één geschrift slechts één bezwaar telt voor proceskostenvergoeding. Wel verhoogde het hof de wegingsfactor naar 1,5 vanwege de verschillen tussen de objecten en de daarmee samenhangende werkbelasting.
Verder stelde het hof de vergoeding voor de bezwaarfase vast op € 364,50 en voor de beroepsfase op € 243,50, met een extra vergoeding van € 487 voor het hoger beroep. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het de proceskosten betreft.