Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak in hoger beroep stond de vordering van appellante centraal om geïntimeerde te veroordelen tot afgifte van bepaalde meubels en een wasdroger, alsmede tot betaling van een geldbedrag.
Het hof stelde vast dat voor een veroordeling tot afgifte vereist is dat voldoende zekerheid bestaat dat de veroordeelde de betreffende zaken daadwerkelijk onder zich heeft. Geïntimeerde betwistte het bezit van de meubels en de wasdroger en verklaarde dat de meubels na het bestreden vonnis uit de woning zijn gehaald en verkocht. Appellante kon geen voldoende gespecificeerd bewijs leveren dat geïntimeerde de meubels en wasdroger nog in bezit had. Daarom wees het hof de vordering tot afgifte van de meubels en wasdroger af, maar veroordeelde geïntimeerde wel tot afgifte van een televisie en een grasmaaier die wel onder zijn bezit vielen.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten oordeelde het hof dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat de gevorderde kosten betrekking hadden op meer dan eenvoudige aanmaningen of dossieropbouw, zodat deze vordering werd afgewezen. Omdat het geschil voortvloeit uit een echtscheiding tussen partijen, besloot het hof de proceskosten in beide instanties te compenseren, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Assen van 21 maart 2012 en deed opnieuw recht door geïntimeerde te veroordelen tot betaling van € 2.365,40 met rente vanaf 4 februari 2011 en tot afgifte van de televisie en grasmaaier. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €2.365,40 met rente en afgifte van televisie en grasmaaier, proceskosten worden gecompenseerd.