ECLI:NL:GHARL:2014:4302

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2014
Publicatiedatum
2 juni 2014
Zaaknummer
TBS P14-0141
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509n SvArt. 509t SvArt. 509v SvArt. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen verlenging terbeschikkingstelling en sluiting onderzoek

De terbeschikkinggestelde heeft beroep ingesteld tegen twee beslissingen van de rechtbank Rotterdam: de verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar op 2 december 2013 en de sluiting van het onderzoek op 24 februari 2014. De rechtbank had het onderzoek heropend om nader onderzoek te laten verrichten naar alcoholverslavingsproblematiek en de gevolgen daarvan voor resocialisatie.

De verdediging stelde dat het beroep tijdig was ingesteld, omdat de heropening van het onderzoek de appeltermijn opnieuw zou laten starten. Het openbaar ministerie betoogde dat de verlengingsbeslissing van 2 december 2013 een eindbeslissing was waartegen binnen 14 dagen beroep had moeten worden ingesteld, wat niet was gebeurd.

Het hof oordeelde dat de beslissing van 2 december 2013 inderdaad een eindbeslissing betrof en dat de terbeschikkinggestelde te laat beroep had ingesteld. Het beroep tegen de sluiting van het onderzoek was wel tijdig, maar het appel was niet ontvankelijk omdat het niet ging om een wijziging van de voorwaarden en het appel tegen de voorwaarden niet mogelijk is volgens artikel 509n lid 2 Sv.

Daarom verklaarde het hof de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk in het beroep tegen beide beslissingen.

Uitkomst: De terbeschikkinggestelde is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de verlenging van de terbeschikkingstelling en de sluiting van het onderzoek.

Uitspraak

TBS P14/0141
Beslissing d.d. 15 mei 2014
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[naam terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende bij [GGZ].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2013, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar onder vaststelling van de reeds bij beslissing van het hof van 28 februari 2013 gewijzigde voorwaarden en met heropening van het onderzoek teneinde de reclassering nader onderzoek te laten verrichten naar de vraag of bij de terbeschikkinggestelde sprake is van alcoholverslavingsproblematiek, alsmede tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2014 tot “sluiting van het onderzoek”.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
  • het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 28 mei 2003, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;
  • de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2011, waarbij de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd;
  • de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 2 oktober 2013;
  • de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg van 18 november 2013 respectievelijk 24 februari 2014;
  • de beslissingen waarvan beroep;
  • de akte rechtsmiddel van 4 maart 2014, waarbij namens de terbeschikkinggestelde beroep is ingesteld tegen voornoemde beslissingen.
Het hof heeft ter zitting van 15 mei 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr F.P. Holthuis, advocaat te 's-Gravenhage, en de advocaat-generaal
mr G.J. de Haas.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman
De terbeschikkinggestelde en zijn raadsman hebben in eerste aanleg afwijzing van de verlengingsvordering bepleit, nu niet langer wordt voldaan aan het gevaarscriterium. De rechtbank heeft bij beslissing van 2 december 2013 de terbeschikkingstelling met één jaar verlengd en het onderzoek heropend voor aanvullend onderzoek. Bij haar beslissing van 24 februari 2014 heeft de rechtbank haar eerdere beslissing gehandhaafd. Nu de rechtbank het onderzoek op 2 december 2013 heeft heropend, geldt volgens de verdediging de datum van de beslissing van 24 februari 2014 ook als startdatum van de appeltermijn van 14 dagen voor de beslissing van 2 december 2013. Het beroep is op 4 maart 2014 - en derhalve tijdig - ingesteld, zodat de terbeschikkinggestelde in zijn beroep tegen beide beslissingen moet worden ontvangen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Volgens de advocaat-generaal moet de beslissing van 2 december 2013 worden beschouwd als een eindbeslissing, waartegen binnen 14 dagen na 2 december 2013 appel had moeten worden ingesteld. Nu dit niet is gebeurd, is de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk in zijn beroep. Tegen de beslissing van 24 februari 2014 is wel tijdig beroep ingesteld, maar gezien het dictum van die beslissing (“sluit het onderzoek”) is het volgens de advocaat-generaal onduidelijk waar dit toe leidt.
Het oordeel van het hof
De akte rechtsmiddel van 4 maart 2014 vermeldt dat het beroep namens de terbeschikkinggestelde is ingesteld tegen de tussenbeslissing van 2 december 2013 en het eindvonnis van 24 februari 2014. Het hof begrijpt uit het onderzoek ter zitting dat de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman met de akte rechtsmiddel van 4 maart 2014 beoogd hebben appel in te stellen tegen de verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, waarvan de verpleging van overheidswege reeds bij beslissing van de rechtbank van 1 augustus 2011 voorwaardelijk was beëindigd. De vraag is of de terbeschikkinggestelde in zijn beroep tegen de beslissing van 2 december 2013 in zoverre kan worden ontvangen. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt vast dat de beslissing van 2 december 2013 geen tussenbeslissing maar een eindbeslissing betreft voor zover de rechtbank daarbij de terbeschikkingstelling heeft verlengd voor de duur van een jaar. Juridisch en feitelijk doet zich hier niet de situatie voor van artikel 509t, vijfde lid Wetboek van Strafvordering, waarbij de rechtbank een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging overweegt en zij met gelijktijdige verlenging van de verpleging haar beslissing aanhoudt voor een maatregelrapport. Dit betekent dat artikel 509v, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is en dat de gebruikelijke appeltermijn van 14 dagen geldt. Uit het voorgaande volgt dat de terbeschikkinggestelde te laat beroep heeft ingesteld tegen de verlengingsbeslissing van 2 december 2013.
Bij de beslissing van 2 december 2013 heeft de rechtbank naast de verlenging van de terbeschikkingstelling tevens het onderzoek heropend en de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de reclassering in de gelegenheid te stellen onderzoek te laten doen - door een onafhankelijke deskundige- naar de vraag of bij de terbeschikkinggestelde sprake is van alcoholverslavingsproblematiek en welke consequenties dit heeft voor zijn resocialisatie en daarbij te stellen voorwaarden. De verdediging had ter zitting aangevoerd dat indien zou komen vast te staan dat de terbeschikkinggestelde niet (meer) lijdt aan een alcoholverslaving, dit vergaande gevolgen kan hebben voor de resocialisatie en de gestelde voorwaarden.
De beslissing van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2014 vermeldt als dictum “de rechtbank sluit het onderzoek”. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de inhoud van de naar aanleiding van de beslissing van 2 december 2013 uitgebrachte rapportage haar geen aanleiding heeft gegeven haar beslissing van 2 december 2013 te heroverwegen. De terbeschikkinggestelde is van deze beslissing tijdig in appel gekomen. Voor zover echter de verdediging heeft bedoeld te stellen dat bij beslissing van 24 februari 2014 na heropening van het onderzoek bij beslissing van 2 december 2013 de rechtbank (definitief) heeft beslist tot verlenging van de terbeschikkingstelling en hiertegen tijdig is geappelleerd, acht het hof deze stelling op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ongegrond, en is het appel ook in zoverre niet ontvankelijk.
Voor zover het appel tegen de beslissing van 24 februari 2014 is gegrond op een in deze beslissing gelezen afwijzing van een verzoek tot wijziging of aanpassing van de voorwaarden, is het appel eveneens niet ontvankelijk, gelet op artikel 509n, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.
Het voorgaande leidt ertoe dat de terbeschikkinggestelde niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

Beslissing

Het hof:
Verklaart de terbeschikkinggestelde
[naam terbeschikkinggestelde]niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de beslissingen van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2013 en 24 februari 2014.
Aldus gedaan door
mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,
mr P.R. Wery en mr M. Keppels als raadsheren,
en drs. R. Poll en drs. R. Vecht-van den Bergh als raden,
in tegenwoordigheid van mr I.H.A. Bijl als griffier,
en op 15 mei 2014 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.