Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2002 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en in februari 2012 gescheiden. Het echtscheidingsconvenant bevat bepalingen over de verdeling van woonlasten van de gezamenlijke woning die te koop staat. Appellante heeft de woning verlaten, geïntimeerde is achtergebleven en ontvangt een uitkering.
In eerste aanleg vorderde geïntimeerde dat appellante bijdraagt in de woonlasten op grond van artikel 4.3 en 7.5 van het convenant. De voorzieningenrechter veroordeelde appellante tot betaling van een deel van de kosten. Appellante stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat artikel 4.5 van het convenant geldt, waardoor zij niet hoeft bij te dragen.
Het hof overweegt dat de uitleg van het convenant moet geschieden volgens het Haviltex-criterium, waarbij de zin die partijen redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen centraal staat. Het hof stelt dat bewijslevering noodzakelijk is om de juiste uitleg vast te stellen, maar dat een kort geding daarvoor niet geschikt is.
Daarom kan niet met voldoende waarschijnlijkheid worden aangenomen dat de lezing van geïntimeerde zal worden gevolgd in de bodemprocedure. Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vordering van geïntimeerde af. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vordering van geïntimeerde af wegens onvoldoende bewijs in kort geding.