Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren uit de relatie van de moeder en vader. De kinderen staan sinds 2011 onder toezicht en zijn sinds 2012 uit huis geplaatst bij pleegouders. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag.
De stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft de uithuisplaatsing verlengd en het hof beoordeelt dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Uit een psychologisch onderzoek blijkt dat de moeder wel pedagogische vaardigheden heeft, maar onvoldoende stabiliteit en structuur kan bieden, wat essentieel is voor de kinderen.
Hoewel de moeder tijdens de zitting verklaarde dat haar situatie stabieler is geworden en zij samen met haar partner een woning heeft, is het hof van oordeel dat deze positieve ontwikkeling nog te pril is om de kinderen nu al terug te plaatsen. Het hof benadrukt het belang van een gefaseerde terugplaatsing met een plan van aanpak en tussentijdse evaluaties, waarbij continuïteit en stabiliteit voor de kinderen centraal staan.
De beschikking van de kinderrechter van 24 januari 2014 wordt bekrachtigd. Het hof legt nadruk op het belang van een zorgvuldige overgang en het monitoren van de situatie, waarbij het perspectief van terugplaatsing bij de moeder wordt nagestreefd, tenzij zwaarwegende contra-indicaties zich voordoen.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd met het oog op een gefaseerde terugplaatsing bij de moeder.