Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2014:5261

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
200.116.376
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 353 lid 1 RvArt. 146 lid 1 RvArt. 111 lid 2 sub d RvArt. 147 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen nietigheid van verzetdagvaarding door ontbreken gronden in verzetexploot

In deze civiele procedure kwam opposante in verzet tegen een bij verstek gewezen arrest. Het verzetexploot bevatte echter geen gronden van verzet. Het hof verwijst naar de wetsgeschiedenis en het toepasselijke procesrecht, waarin is bepaald dat het verzetexploot als memorie van antwoord geldt en het niet verplicht is om gronden te vermelden.

De wetgever heeft expliciet gekozen om artikel 111 lid 2 sub d Rv Pro, dat eisen stelt aan de eis en gronden in een dagvaarding, niet van toepassing te verklaren op het verzetexploot. Dit omdat de verzetprocedure een voortgezette instantie is. Het ontbreken van gronden in het verzetexploot leidt daarom niet tot nietigheid of niet-ontvankelijkheid.

Het hof benadrukt dat opposante de gelegenheid had om haar verzetgronden bij het uitbrengen van het exploot te vermelden en dat zij niet het recht heeft om alsnog een memorie van antwoord in te dienen. De zaak wordt verwezen naar de rol voor beraad partijen, conform het landelijk procesreglement.

Uitkomst: Het ontbreken van gronden in het verzetexploot leidt niet tot nietigheid of niet-ontvankelijkheid; het exploot geldt als memorie van antwoord en de zaak wordt verwezen naar de rol voor beraad partijen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.116.376/02
(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel 790097)
arrest van de eerste kamer van 1 juli 2014
inzake
[opposante],
wonende te [woonplaats],
opposante,
advocaat: mr. M.P.J. Rubens,
tegen:
[geopposeerde], h.o.d.n.
[bedrijfsnaam],
wonende te [woonplaats],
geopposeerde,
advocaat: mr. R.H.G. Evers.
Partijen zullen hierna [opposante] en [geopposeerde] worden genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het in deze zaak tussen partijen bij verstek gewezen arrest van 28 januari 2014 van dit hof.
1.2
Bij exploit van 1 april 2014 is [opposante] in verzet gekomen van het bij verstek gewezen arrest van 28 januari 2014. Op de rol van 15 april 2014 is de zaak aangebracht bij het hof.
1.3
Daarna heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier.

2.De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1
Het verzetexploot bevat geen gronden. Op grond van artikel 353 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de tweede titel van boek 1 Rv, waaronder de achtste afdeling inzake verzet, van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In artikel 146 Rv Pro zijn de eisen opgenomen waaraan een exploot van verzet moet voldoen. Artikel 111 lid 2 sub d Rv Pro betreffende het vermelden van de eis en gronden is echter niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De voorganger van artikel 146 lid 1 Rv Pro, artikel 83 (oud) Rv, bepaalde nog wel dat het verzetexploot summierlijk de middelen moest bevatten op straffe van nietigheid (vlg. HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3673). Ook artikel 146 lid 1 Rv Pro zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 8 september 2005 tot aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht (Stb. 2005, nr. 455, 28863), bepaalde dat het verzetexploot de gronden van het verzet vermeldt. De wetgever heeft bij voornoemde wet van 8 september 2005 artikel 146 lid 1 Rv Pro aangepast. Uit de nota van wijziging volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om artikel 111 Rv Pro niet van overeenkomstige toepassing te laten zijn op het verzetexploot, voor zover de aard van de verzetprocedure zich niet met die eisen verdraagt (
Kamerstukken II2003/04, 28 863, nr. 6, p. 6). Dit laatste geldt volgens de wetgever voor het in artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv opgenomen vereiste dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermeldt. De verzetprocedure is immers naar haar aard een voortgezette instantie. Om die reden bepaalt artikel 147 Rv Pro dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt.
2.2
Uit het voorgaande volgt dat het vermelden van de gronden van verzet in het verzetexploot geen wettelijk vereiste (meer) is en dat het ontbreken daarvan niet tot nietigheid van de verzetdagvaarding of niet-ontvankelijkheid van [opposante] dient te leiden. Uit het ingevolge eerdergenoemd artikel 353 lid 1 Rv Pro ook in hoger beroep van toepassing zijnde artikel 147 lid 1 Rv Pro volgt dat het verzetexploot in hoger beroep als memorie van antwoord dient te worden aangemerkt. Dat het verzetexploot van [opposante] geen gronden bevat, maakt dat niet anders. [opposante] had de gelegenheid van het uitbrengen van het verzetexploot dienen te benutten voor het aanvoeren van de gronden van het verzet (en het alsnog antwoorden op de memorie van grieven). [opposante] heeft niet het recht om alsnog een inhoudelijke memorie van antwoord te nemen.
2.3
De zaak zal worden verwezen naar de rol voor beraad partijen zoals bedoeld in artikel 2.24 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de hoven.

3.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de rol van 15 juli 2014 voor beraad partijen.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, K.J. Haarhuis en M. Ynzonides en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.