ECLI:NL:GHARL:2014:5294

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 juni 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
200.140.822-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:205 lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vernietiging erkenning op grond van dwaling afgewezen

In deze zaak heeft de vader in hoger beroep verzocht om de door hem gedane erkenning van zijn kind op grond van dwaling te vernietigen. De vader stelde dat hij niet de biologische vader was en dat hij door dwaling tot erkenning was bewogen. De moeder betwistte dit en stelde dat zij de vader tijdig had geïnformeerd over het ontbreken van het biologische vaderschap, maar dat de vader toch wilde samenwonen en het kind erkennen om samen een gezin te vormen.

Het hof overwoog dat uit het prenatale DNA-onderzoek bleek dat de vader niet de biologische vader was en dat er objectieve twijfel bestond. De vader had echter het kind erkend voordat de uitslag van de test bekend was en bleef betrokken bij de zwangerschap en het eerste half jaar van het kind. Dit duidt erop dat hij de erkenning bewust heeft gedaan ondanks de twijfel over zijn vaderschap.

Het hof concludeerde dat de vader geen beroep op dwaling kan doen omdat hij willens en wetens de erkenning heeft aanvaard. Het belang van het kind werd meegewogen, waarbij werd opgemerkt dat er sinds het eerste half jaar geen contact meer is tussen vader en kind en dat de biologische vader een grotere rol wil spelen. Het hof zag geen aanleiding om de wettelijke regels omtrent vernietiging van de erkenning te doorbreken of om nader onderzoek te gelasten.

Daarom bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank dat het verzoek van de vader tot vernietiging van de erkenning afwees.

Uitkomst: Het hof wijst het beroep van de vader af en bekrachtigt de beschikking die de vernietiging van de erkenning wegens dwaling heeft afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.140.822/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/128213/ FA RK 13-1222)
beschikking van de familiekamer van 26 juni 2014
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. H.W. de Jong, kantoorhoudend te Leeuwarden,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Y. Bergsma, kantoorhoudend te Sneek.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator],
kantoorhoudend te Sneek,
verder te noemen: de bijzondere curator.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 januari 2014, is de vader
in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.
De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het door de vader gedane verzoek, om de door hem gedane erkenning van [kind], geboren
[in 2012], op grond van dwaling te vernietigen en te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] deze erkenning dient door te halen, toe te wijzen.
2.2
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 maart 2014, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.
2.3
Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
- op 30 januari 2014 een brief van 29 januari 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Friesland en Flevoland (verder te noemen: de raad);
- op 10 maart 2014 een brief van de bijzondere curator van 7 maart 2014;
- op 9 mei 2014 een journaalbericht van 8 mei 2014 van mr. De Jong met bijlagen.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2014 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens is de bijzondere curator verschenen.

3.De vaststaande feiten

3.1
Gedurende de - in mei 2013 definitief verbroken - affectieve relatie tussen de vader en de moeder is [in 2012] [kind] (verder te noemen: [kind]) geboren. Hieraan voorafgaand, op 6 september 2012, is [kind] door de vader erkend.
3.2
Partijen hebben een prenatale DNA-test laten uitvoeren door Consanguinitas DNA Verwantschapsanalyse. Uit het daarvan opgemaakte rapport van 18 september 2012 blijkt dat de vader op 9 juni 2012 is getest en de moeder op 7 september 2012 en dat de vader niet de biologische vader van het kind is waarvan de moeder toen zwanger was.
3.3
Bij inleidend verzoekschrift van 3 juli 2013 heeft de vader de rechtbank verzocht de erkenning van [kind] door de vader op grond van dwaling te vernietigen en te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Sneek deze erkenning dient door te halen. De moeder heeft zich tegen het inleidende verzoek van de vader verweerd.
3.4
De bijzondere curator is op 28 augustus 2013 door de rechtbank benoemd.
3.5
Bij de bestreden beschikking van 13 november 2013 is het inleidende verzoek van de vader afgewezen.

4.De motivering van de beslissing

4.1
De vader kan zich met de beschikking van de rechtbank niet verenigen, nu hij
- kort gezegd - stelt gedwaald te hebben ten aanzien van zijn vaderschap en het in het belang van [kind] is dat de erkenning door de vader wordt vernietigd. Het hof overweegt het volgende.
4.2
Uit artikel 1:205 lid Pro 1, sub b, BW volgt dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, kan worden ingediend - voor zover hier van belang - door de erkenner, indien hij door dwaling daartoe
is bewogen. Geldende jurisprudentie is dat voor een op dwaling gegrond verzoek tot vernietiging van de erkenning geldt, dat het verzoek niet voor toewijzing vatbaar is ingeval bij de erkenner geen sprake is geweest van een valse voorstelling van zaken ten aanzien van het biologische vaderschap.
4.3
De moeder stelt zich op het standpunt dat zij de vader, toen zij drie maanden zwanger was en partijen (opnieuw) wilden gaan samenwonen, heeft geïnformeerd over het feit dat hij niet de biologische vader van het nog ongeboren kind was. Desondanks wilde de vader nog steeds samenwonen en heeft hij de wens uitgesproken samen met haar en het nog ongeboren kind een gezin te vormen, aldus de moeder. De moeder wilde dit ook en heeft
om die reden toestemming gegeven voor de erkenning door de vader.
4.4
De vader betwist weliswaar dat hij wist dat hij niet de biologische vader van het toen nog ongeboren kind was, maar naar het oordeel van het hof heeft hij hiermee de stelling van de moeder onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat partijen een prenatale vaderschapstest hebben laten uitvoeren, waaruit kan worden afgeleid dat er in ieder geval twijfel bestond over wie de biologische vader van het nog ongeboren kind was. De vader heeft zijn stelling dat hij er van uitging dat hij de biologische vader was en dat partijen de DNA-test enkel hebben laten uitvoeren om de ouders van de vader gerust te stellen, gelet op de betwisting daarvan door de moeder, onvoldoende nader onderbouwd. De vader heeft vervolgens, nog voordat de uitslag van de DNA-test bekend was, het toen nog ongeboren kind erkend. Deze gang van zaken sluit aan bij het standpunt van de moeder dat de vader het nog ongeboren kind wilde erkennen ongeacht de uitkomst van de DNA-test, zodat zij samen een gezin konden vormen.
Een en ander kan ook worden afgeleid uit het feit dat de vader na de uitslag van de DNA-
test nog bij de zwangerschap, de geboorte en het eerste half jaar van het leven van [kind] betrokken was. Bovendien staat vast dat er objectieve twijfel bestond over het vaderschap van de vader, dat de vader dat wist, en dat hij desondanks tot erkenning is overgegaan.
In een dergelijke situatie komt hem geen beroep op dwaling toe; hij heeft de kans dat hij
de biologische vader niet zou zijn willens en wetens aanvaard.
4.5
Het hof is op grond van vorenstaande omstandigheden, evenals de rechtbank, van oordeel dat het beroep van de vader op dwaling niet kan slagen. Een en ander neemt niet weg dat [kind] van de vader niets meer te verwachten heeft. Er bestaat tussen hen, vanaf het moment dat [kind] een half jaar oud is, geen enkel contact meer en de verhoudingen tussen
de vader en de moeder zijn gespannen. Daarnaast kan uit de stukken en het verhandelde ter zitting worden afgeleid dat de biologische vader een (grotere) rol in het leven van [kind] wil spelen. De huidige situatie lijkt niet in het belang van [kind] en zou voor de bijzondere curator wellicht aanleiding kunnen zijn om, eventueel in overleg met de raad en/of de biologische vader, een zelfstandig verzoek namens [kind] in te dienen betreffende de vernietiging van de erkenning. Aangezien deze mogelijkheid bestaat ziet het hof geen aanleiding om te onderzoeken of het belang van [kind] zo zwaar moet wegen dat de wettelijke bepaling omtrent vernietiging van de erkenning doorbroken zou dienen te worden.
4.6
Gelet op het bovenstaande, ziet het hof geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden en de raad te gelasten een onderzoek te verrichten naar het belang van [kind] betreffende de vernietiging van de erkenning, zoals door de vader subsidiair verzocht.
De slotsom
4.7
Gelet op het vorenoverwogene, zal het hof beslissen als na te melden.

5.De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 november 2013;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. J.D.S.L. Bosch en
mr. A.W. Jongbloed, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 juni 2014.