ECLI:NL:GHARL:2014:5724

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juli 2014
Publicatiedatum
17 juli 2014
Zaaknummer
200.142.783-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering schuldeiser instemming schuldregeling gegrond wegens onvoldoende zekerheid en tijdelijke arbeidsovereenkomst

Appellant heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij ING een groot deel van de schuld vertegenwoordigt. Deze regeling hield in dat binnen 36 maanden een deel van de vordering tegen finale kwijting zou worden betaald. ING heeft dit aanbod afgewezen omdat zij alleen akkoord zou gaan bij volledige betaling ineens.

Het hof heeft het verzoek van appellant om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling beoordeeld aan de hand van artikel 287a, vijfde lid, Faillissementswet. Dit artikel vereist dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming heeft kunnen komen, waarbij terughoudendheid geldt bij het opleggen van een bevel tot instemming.

Het hof constateert dat de prognose van appellant is gebaseerd op een tijdelijk dienstverband dat binnen enkele maanden eindigt, en dat de schuldregeling niet de waarborgen bevat die de wettelijke schuldsaneringsregeling biedt. Gezien het grote aandeel van ING in de totale schuldenlast en het ontbreken van voldoende zekerheid, acht het hof het redelijk dat ING weigert in te stemmen.

Daarom wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek van appellant afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank vanwege redelijke weigering van ING om in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer 200.142.783/01
(zaaknummer rechtbank 150989 FT RK 142/14)
arrest van de derde civiele kamer van 17 juli 2014
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen:
[appellant],
advocaat: mr. S. Kleerebezem, kantoorhoudende te Lelystad,
tegen
ING Bank N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen:
ING,
gemachtigde: Vesting Finance Fiditon, in persoon van de heer S. Windhoud.
De inhoud van het tussenarrest van 3 juni 2014 wordt hier overgenomen.

1.Het verdere procesverloop

Na voormeld tussenarrest is bij de griffie van het hof binnengekomen een brief van 10 juni 2014, een brief van 13 juni 2014 en een fax van 23 juni 2014, alle van mr. Kleerebezem.

2.De verdere beoordeling

2.1
Het hof heeft bij voornoemd tussenarrest de zaak aangehouden om [appellant] en ING de gelegenheid te geven nadere stukken aan het hof over te leggen. Daarbij heeft het hof [appellant] opgedragen om uiterlijk 17 juni 2014 aan ING een nieuw voorstel te doen met een recente berekening van het vrij te laten bedrag. Het hof heeft vervolgens ING opgedragen op uiterlijk 24 juni 2014 een beslissing te nemen op dit voorstel, hetgeen aan [appellant] en het hof kenbaar gemaakt diende te worden.
2.2
Het hof zal thans, zoals in het tussenarrest reeds is aangegeven, de zaak afdoen op de stukken.
2.3
[appellant] heeft per brief van 10 juni 2014 aangegeven dat hij verwacht over een periode van 36 maanden in totaal een bedrag van € 5.134,81 aan ING te kunnen aflossen. Het gaat hierbij om een prognose die uiteindelijk hoger of lager kan uitvallen, afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van [appellant]. Per brief van 13 juni 2014 heeft [appellant] een recente berekening van het vrij te laten bedrag overgelegd. Vervolgens heeft de ING, door middel van een fax van 23 juni 2014 aan de advocaat van [appellant], laten weten niet akkoord te gaan met het prognosevoorstel. ING is pas bereid om finale kwijting te verlenen indien het gehele bedrag van € 5.134,81 ineens door ING is ontvangen.
Oordeel van het hof
2.4
Het hof is van oordeel dat, nu ING niet akkoord is gegaan met het prognosevoorstel van [appellant], het verzoek van [appellant] om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling ex artikel 287a Fw dient te worden afgewezen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Wettelijk kader
2.5
Op grond van artikel 287a, vijfde lid, Fw dient het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling te worden toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
2.6
Het hof stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling - waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand doet van zijn recht op voldoening - te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen.
Het dwangakkoord
2.7
In juli 2013 heeft [appellant] een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Deze schuldregeling hield - kort samengevat - in dat aan de vier schuldeiseres is aangeboden 10,72% van hun vordering uit te betalen in een termijn van 36 maanden tegen finale kwijting. ING heeft dit aanbod afgewezen. Na het tussenarrest van het hof heeft [appellant] opnieuw een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Deze schuldregeling houdt - kort samengevat - in dat aan de vier schuldeisers is aangeboden 20,01% van hun vordering uit te betalen in een termijn van 36 maanden tegen finale kwijting. Het gaat hierbij om een prognose die uiteindelijk hoger of lager kan uitvallen, afhankelijk van het bedrag dat maandelijks kan worden gereserveerd. Ook dit aanbod is door ING afgewezen.
2.8
Het hof constateert dat het prognosevoorstel is gebaseerd op een vast dienstverband. [appellant] werkt sinds 12 april 2014 echter op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden bij [horecabedrijf] in [woonplaats]. Zijn dienstverband eindigt vooralsnog van rechtswege op 11 oktober 2014.
2.9
Daarnaast is het hof van oordeel dat in de aangeboden schuldregeling de waarborgen ontbreken die de Faillissementswet biedt met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de inkomens- en vermogenspositie van [appellant] door de bewindvoerder en de rechter-commissaris. De waarborgen die in de wettelijke schuldsaneringsregeling worden geboden ontbreken. Zo is er onder andere geen sollicitatie- en informatieplicht, geen postblokkade en vindt slechts jaarlijks een inkomenstoets plaats.
2.1
Naar het oordeel van het hof dient een prognose voldoende zekerheid te bieden dat [appellant] het aangeboden bedrag in de schuldregeling aan ING kan betalen in een periode van drie jaar. Hiervan is geen sprake. In aanmerking nemende dat de prognose is gebaseerd op de huidige inkomsten uit werk, terwijl [appellant] een tijdelijk dienstverband heeft, de waarborgen die de schuldsaneringsregeling biedt niet gelden en waarbij de ING een groot gedeelte vertegenwoordigt van de totale schuldenomvang, namelijk 46,8%, heeft ING in redelijkheid de instemming met de schuldregeling kunnen weigeren.
Slotsom
2.11
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

3.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 24 februari 2014.
Dit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, mr. I.A. Vermeulen en mr. E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2014.