ECLI:NL:GHARL:2014:6043

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juli 2014
Publicatiedatum
29 juli 2014
Zaaknummer
200.137.415
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Rv (oud)Art. VII lid 2 Wet van 6 december 2001Art. 1 Algemene TermijnenwetArt. 3 lid 1 Algemene TermijnenwetArt. 143 Rv (nieuw)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over tijdigheid van verzet en afwijzing vordering Wehkamp

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of het verzet van appellante tegen een verstekvonnis van 30 augustus 2000 tijdig was ingesteld. De kantonrechter had het verzet niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat zou zijn ingediend. Het hof oordeelde echter dat het verzet wel tijdig was, mede door toepassing van de Algemene Termijnenwet die de termijn verlengde vanwege een feestdag.

Vervolgens moest het hof beoordelen of de oorspronkelijke vordering van Wehkamp tot betaling van een bedrag van 4.803,72 euro, vermeerderd met rente en kosten, toewijsbaar was. Wehkamp had onvoldoende bewijs geleverd van de overeenkomst en de vordering onvoldoende onderbouwd, terwijl appellante betwistte dat er een overeenkomst was gesloten.

Daarom vernietigde het hof de eerdere vonnissen en wees de vordering van Wehkamp af. Tevens veroordeelde het hof Wehkamp in de kosten van beide instanties, waarbij de kosten aan de zijde van appellante werden vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De uitspraak benadrukt het belang van tijdige verzetstelling en voldoende bewijs voor vorderingen in civiele procedures.

Uitkomst: Het hof verklaart het verzet tijdig en wijst de vordering van Wehkamp af met veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.137.415
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 523524)
arrest van de eerste kamer van 29 juli 2014
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. J.M. Poortinga,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Wehkamp B.V.,
gevestigd te Zwolle,
geïntimeerde,
hierna: Wehkamp,
niet verschenen.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
30 augustus 2000 dat de kantonrechter (kantongerecht te Harderwijk) bij verstek tussen Wehkamp als eisende partij en [appellante] als gedaagde partij heeft gewezen en naar de inhoud van het vonnis van 21 augustus 2013 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) tussen [appellante] als eisende partij in verzet en Wehkamp als gedaagde partij in verzet heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 november 2013,
- de verstekverlening jegens Wehkamp,
- de memorie van grieven.
2.2
Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De vaststaande feiten

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
3.2
Bij het onder 1 genoemde vonnis van 30 augustus 2000 (hierna: het vonnis van
30 augustus 2000) heeft de kantonrechter op vordering van Wehkamp [appellante] veroordeeld tot voldoening aan Wehkamp van
f4.803,72, vermeerderd met rente en proceskosten.
3.3
Het vonnis van 30 augustus 2000 is op 7 september 2001 betekend aan de echt- en huisgenoot van [appellante].
3.4
Bij exploot, op 23 april 2013 betekend aan de woonplaats van [appellante] door middel van het achterlaten van een afschrift van het exploot in een gesloten envelop, is hernieuwd bevel tot betaling aan [appellante] gedaan.
3.5
Bij brief van 6 mei 2013 heeft de gemachtigde van [appellante] aan de gemachtigde van Wehkamp onder andere het volgende bericht:
“Cliënte overhandigde mij een verstekvonnis d.d. 30 augustus 2000 dat door u aan cliënte is betekend op 23 april jl. alsmede een exploot inzake (uit krachte van voormeld vonnis gelegd) executoriaal derdenbeslag onder de werkgever van cliënte. (…)
Cliënte deelde mij mede dat zij de vordering van uw cliënte betwist. In dit kader heb ik de opdracht om tegen het verstekvonnis verzet aan te tekenen.”

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1
Bij exploot, op 21 mei 2013 betekend aan (de gemachtigde van) Wehkamp, is [appellante] in verzet gekomen van het vonnis van 30 augustus 2000. Bij het onder 1 genoemde vonnis van 21 augustus 2013 (hierna: het vonnis van 21 augustus 2013) heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verzet niet tijdig is ingesteld en dat [appellante] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Het hoger beroep van [appellante] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter en strekt ertoe
- zo begrijpt het hof - dat het hof bij arrest, zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het vonnis van 21 augustus 2013 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, het vonnis van 30 augustus 2000 zal vernietigen en de vordering van Wehkamp alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Wehkamp in de kosten van beide instanties. Wehkamp is in hoger beroep niet verschenen.
4.2
De grieven van [appellante] stellen aan de orde de vraag of [appellante], met haar verzetdagvaarding van 21 mei 2013, tijdig in verzet is gekomen van het vonnis van
30 augustus 2000. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat die vraag moet worden beantwoord aan de hand van artikel 81 Rv Pro (oud), welk artikel ingevolge artikel VII lid 2 van de Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Staatsblad 2001, 580) van toepassing is ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het vonnis van 30 augustus 2000 en de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend. Aangezien het vonnis van 30 augustus 2000 is gewezen onder vigeur van het oude recht, is dan ook voor de termijn van verzet tegen dat vonnis het oude recht blijven gelden. De grief van [appellante] dat de kantonrechter die vraag had moeten beantwoorden aan de hand van art. 143 Rv Pro (nieuw), faalt dus.
4.3
Artikel 81 Rv Pro (oud) luidt, voor zover relevant:
1. De gedaagde die bij verstek veroordeeld is, zal daartegen verzet mogen doen. Het verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis of van eenige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende acte aan den veroordeelde in persoon, of na het plegen door dezen van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.
2. Buiten de gevallen, in het vorige lid voorzien, is het verzet ontvankelijk totdat het vonnis is ten uitvoer gelegd.
4.4 De kantonrechter heeft geoordeeld, kort gezegd, dat, gezien de brief van 6 mei 2013, [appellante] in ieder geval op 6 mei 2013 bekend was met het vonnis van 30 augustus 2000 en dat, nu de verzetdagvaarding dateert van 21 mei 2013 en dit meer is dan veertien dagen na
6 mei 2013, het verzet niet tijdig is ingesteld. Partijen zijn het er kennelijk met de kantonrechter over eens dat [appellante] in ieder geval op 6 mei 2013 een daad heeft gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis haar bekend was. [appellante] wijst er in hoger beroep naar het oordeel van het hof evenwel met juistheid op dat het exploot op 21 mei 2013 kon worden gedaan. Uitgaande van genoemde datum van 6 mei 2013 zou de laatste dag van de termijn van veertien dagen waarbinnen het verzetexploot (de verzetdagvaarding) kon worden gedaan immers 20 mei 2013 zijn, maar nu 20 mei 2013 een algemeen erkende feestdag is (Tweede Pinksterdag), kon het exploot ingevolge artikel 1 gelezen Pro in verband met artikel 3 lid 1 van Pro de Algemene Termijnenwet op 21 mei 2013 worden gedaan. Het vorenstaande brengt mee dat de grief tegen het andersluidende oordeel van de kantonrechter slaagt en dat, in het geval ervan moet worden uitgegaan dat het verzet moest worden gedaan binnen de (verlengde) verzettermijn na 6 mei 2013, [appellante] met haar verzetdagvaarding van 21 mei 2013 tijdig in verzet is gekomen van het vonnis van 30 augustus 2000.
4.5
Gezien de devolutieve werking van het hoger beroep is vervolgens de vraag of, afgezien van de hiervoor reeds beoordeelde stelling dat de verzettermijn is gaan lopen na
6 mei 2013, geoordeeld moet worden dat [appellante] niet tijdig in verzet is gekomen. Wehkamp heeft in dat verband in haar conclusie van antwoord in oppositie gesteld:
a) dat het vonnis op 7 september 2001 aan de echt- en huisgenoot van [appellante] is betekend en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [appellante] van het vonnis geen kennis heeft gehad,
b) dat dit te meer klemt, daar tussen de datum van het vonnis (het hof begrijpt: van
30 augustus 2000) en de datum van de betekening van het vonnis (het hof begrijpt: op
7 september 2001) een bedrag van in totaal
f2.000,-- door [appellante] is voldaan en dat dit bedrag in het betekeningsexploot (het hof begrijpt: van 7 september 2001) staat vermeld,
c) dat [appellante] door de gemachtigden van Wehkamp op 27 maart 2013 is aangeschreven, waarbij een kopie van het vonnis (het hof begrijpt: van 30 augustus 2000) is meegezonden en
d) dat op 23 april 2013 aan [appellante] herhaald bevel is gedaan, welk herhaald bevel ook in de brief van 6 mei 2013 is genoemd.
Het hof is van oordeel dat ook dit niet kan leiden tot de conclusie dat [appellante] niet tijdig in verzet is gekomen en wel op grond van het volgende.
4.6
In de eerste plaats is van een betekening aan de veroordeelde in persoon als bedoeld in artikel 81 lid 1 Rv Pro (oud) geen sprake bij de betekening van het vonnis op 7 september 2001 aan de echt- en huisgenoot van [appellante] respectievelijk bij de betekening van het herhaald bevel op 23 april 2013 aan de woonplaats van [appellante].
In de tweede plaats heeft Wehkamp onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat [appellante] (vóór 6 mei 2013) een daad heeft gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging haar bekend was als bedoeld in artikel 81 lid 1 Rv Pro (oud). Het verrichten van een betaling kan weliswaar onder omstandigheden een daad van bekendheid zijn als bedoeld in artikel 81 lid 1 Rv Pro (oud) (vergelijk HR 10 december 1954, NJ 1955,252), maar in dit geval zijn daartoe onvoldoende omstandigheden gesteld of gebleken. Uit de (niet voldoende betwiste) gestelde betaling van
f2.000,-- door [appellante], gelezen in samenhang met de gestelde omstandigheden genoemd bij a), b), c) en d), vloeit, zonder bijkomende omstandigheden, die ontbreken, niet noodzakelijk voort dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging [appellante] bekend was. Datzelfde geldt voor de bij c) genoemde gestelde omstandigheid. Uit de bij a), b), c) en d) genoemde gestelde omstandigheden tezamen beschouwd vloeit een dergelijke daad van [appellante] ook niet voort.
4.7
Dat het vonnis al ten uitvoer is gelegd in de zin van artikel 81 lid 2 Rv Pro (oud) is niet gesteld of gebleken.
4.8
Al met al moet ervan worden uitgegaan dat het verzet tijdig is gedaan. Dit brengt mee dat het vonnis van 21 augustus 2013 moet worden vernietigd en dat het hof, opnieuw recht doende, alsnog moet beoordelen of de oorspronkelijke vordering van Wehkamp, gezien het verweer daartegen van [appellante], toewijsbaar is en dus of het vonnis van 30 augustus 2000 kan standhouden.
4.9
Wehkamp heeft gevorderd dat [appellante] bij vonnis, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om aan Wehkamp te betalen een bedrag van
f4.803,72, te vermeerderen met rente en proceskosten. Wehkamp heeft gesteld dat zij aan [appellante] zaken heeft verkocht en geleverd. Ter onderbouwing van de door haar gestelde overeenkomst tussen partijen heeft Wehkamp een overzicht overgelegd (productie 4 bij de conclusie van antwoord in oppositie). [appellante] heeft onder meer betwist dat zij met Wehkamp een overeenkomst heeft gesloten. Het hof is van oordeel dat Wehkamp, gezien de betwisting door [appellante] van de gestelde overeenkomst, die overeenkomst (met het overlegde overzicht) onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee heeft Wehkamp de rechtsgrond voor haar vordering onvoldoende onderbouwd. Evenmin heeft Wehkamp terzake een voldoende specifiek bewijsaanbod gedaan om tot bewijs te worden toegelaten.
De vordering van Wehkamp moet daarom worden afgewezen.
4.1
Uit het vorenstaande volgt dat ook het vonnis van 30 augustus 2000 moet worden vernietigd en dat de vordering van Wehkamp alsnog moet worden afgewezen, met veroordeling van Wehkamp in de kosten van alle instanties.
4.11
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:
- explootkosten € 92,82 (kosten verzetdagvaarding)
- griffierecht nihil
subtotaal verschotten € 92,82
- salaris advocaat € 400,-- (2 punten x liquidatietarief in eerste aanleg).
4.12
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:
- explootkosten € 92,82
- griffierecht € 299,--
subtotaal verschotten € 391,82
- salaris advocaat € 632,-- (1 punt x liquidatietarief I in hoger beroep).

5.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van 30 augustus 2000 dat de kantonrechter (kantongerecht te Harderwijk) bij verstek tussen partijen heeft gewezen;
vernietigt het vonnis van 21 augustus 2013 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) tussen partijen in verzet heeft gewezen;
doet opnieuw recht;
wijst de vordering van Wehkamp af;
veroordeelt Wehkamp in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 92,82 voor verschotten en op € 400,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 391,82 voor verschotten en op € 632,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest wat betreft deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, M.B. Beekhoven van den Boezem en
F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
29 juli 2014.