In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bevoegd was om voorlopige machtigingen voor gesloten jeugdzorg te verlenen aan de minderjarige [verzoekster]. Het hof oordeelde dat de locatie Leeuwarden bevoegd was ondanks dat de woonplaats van de minderjarige in Groningen lag, omdat het verzoek aldaar was ingediend en de wet dit toestaat.
Vervolgens werd beoordeeld of de minderjarige tijdig was gehoord voorafgaand aan de voorlopige machtigingen. De wet vereist dat de jeugdige wordt gehoord tenzij zij niet bereid is. Het hof stelde vast dat de minderjarige niet zo spoedig mogelijk was gehoord, wat strijdig was met de wettelijke voorschriften, mede gezien het suïcidegevaar dat als zeer reëel werd ingeschat.
Ten aanzien van de inhoudelijke machtiging voor langdurige gesloten plaatsing oordeelde het hof dat de minderjarige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling ernstig belemmeren. De gesloten plaatsing is noodzakelijk om haar te beschermen tegen zichzelf en risicovolle contacten. Het hof vernietigde de voorlopige machtigingen van 4 en 5 april 2014, wees het verzoek tot voorlopige machtiging af, maar bekrachtigde de machtiging van 16 april 2014 voor de duur van zes maanden.