De moeder was tot de bestreden beschikking gezagsdrager over haar twee minderjarige kinderen die sinds 2007 uit huis geplaatst zijn en sinds 2008 in een pleeggezin verblijven. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ontheffing van het gezag van de moeder en benoeming van BJZ tot voogd, met uitvoering door de WSJ.
De rechtbank verleende de ontheffing, waarna de moeder in hoger beroep ging en betoogde dat ontheffing niet noodzakelijk was omdat zij duurzaam instemde met de uithuisplaatsing en de kinderen wisten dat hun perspectief niet bij haar lag. Het hof overwoog dat duurzame instemming niet zonder meer ontheffing in de weg staat, mede gelet op het belang van de kinderen bij stabiliteit en duidelijkheid.
Het hof stelde vast dat geen reëel perspectief op terugplaatsing bestaat en dat de kinderen gebaat zijn bij de rust en structuur in het pleeggezin. De tijdelijke maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing brengen onzekerheid met zich mee, terwijl ontheffing duidelijkheid en continuïteit biedt.
Daarnaast is de moeder al jaren moeilijk bereikbaar en heeft zij geen contact met de kinderen, waardoor betrokkenheid bij beslissingen praktisch onmogelijk is. Het hof concludeerde dat het belang van de kinderen bij stabiliteit en duidelijkheid prevaleert boven het belang van de moeder bij behoud van het gezag.
Daarom werd het hoger beroep van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.