Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant is bij vonnis van de rechtbank Assen failliet verklaard en verzocht later om omzetting van het faillissement in de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Tevens was het inkomen van appellant zeer laag en was onvoldoende aannemelijk dat hij aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zou kunnen voldoen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de boekhouding tot het faillissement had bijgehouden en dat hij zich had ingespannen om de belastingschulden te voldoen, waaronder een betalingsregeling. Ook stelde hij dat hij binnenkort meer uren zou gaan werken en een aanvullende uitkering zou aanvragen indien nodig.
Het hof oordeelde dat het faillissement niet op eigen aangifte was uitgesproken en dat appellant niet binnen veertien dagen na het verzoek tot faillietverklaring een verzoek tot schuldsanering had ingediend. Zijn verklaring dat hij dacht dat het niet zo'n vaart zou lopen, was geen verschoonbare omstandigheid. Het verzoekschrift voldeed ook niet aan de vereisten omdat onvoldoende inzicht werd gegeven in de schuldenpositie.
Het hof verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, met verbeterde gronden. Appellant staat het vrij na opheffing van het faillissement alsnog een verzoek tot schuldsanering in te dienen.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzoek tot omzetting van faillissement in schuldsanering niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen.