ECLI:NL:GHARL:2014:6563

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 augustus 2014
Publicatiedatum
22 augustus 2014
Zaaknummer
200.148.615-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 onder f FwArt. 287 lid 2 FwArt. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na vernietiging niet-ontvankelijkheidsverklaring rechtbank

In deze zaak hebben appellanten bij de rechtbank verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij onvoldoende hadden getracht een minnelijke regeling te treffen. De rechtbank vond dat de schuldeisers niet gelijk werden behandeld, met name omdat PSA Finance Nederland buiten de regeling was gehouden.

Appellanten gingen in hoger beroep en stelden dat het buiten beschouwing laten van de schuld aan PSA gerechtvaardigd was vanwege de auto als onderpand en de arbeidsverplichting. Zij betoogden dat de grootste schuldeiser, DSB Bank, niet wilde instemmen met het minnelijk traject, waardoor dat sowieso zou mislukken.

Het hof oordeelde dat het vonnis van de rechtbank moet worden beschouwd als een afwijzing van het verzoek en dat appellanten voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan van hun schulden. Bovendien is toegezegd dat de auto zal worden verkocht en de opbrengst ten goede zal komen aan de schuldeisers.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en verklaarde de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op appellanten. De zaak werd verwezen naar de rechtbank voor verdere afhandeling van de regeling.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op appellanten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer 200.148.615/01
(zaaknummer rechtbank C/16/363691 / FT RK 14/480 en 481)
arrest van de derde civiele kamer van 7 augustus 2014
inzake

1.[appellant],

2. [appellante],
beiden wonende te Lelystad,
appellanten,
hierna te noemen:
[appellanten],
advocaat: mr. A. Benamar, kantoorhoudende te Almere.

1.Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 29 april 2014 is het verzoek van [appellanten] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen niet-ontvankelijk verklaard.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 4 mei 2014, hebben [appellanten] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een journaalbericht met bijlagen van 12 mei 2014 van de advocaat.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juli 2014, waarbij [appellanten] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Verder is de schuldhulpverlener van Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland (hierna: MDF), [schuldhulpverlener] verschenen.

3.De beoordeling

Vaststaande feiten
3.1
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. De totale schuldenlast van [appellanten] bedraagt € 63.897,96 en bestaat onder meer uit een schuld bij de DSB Bank van € 44.277,10 en een schuld bij PSA Finance Nederland (hierna: PSA) van € 5.013,56.
Oordeel rechtbank
3.2
De rechtbank heeft het verzoek van [appellanten] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellanten] in onvoldoende mate hebben getracht een deugdelijke minnelijke regeling te treffen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten] in hun aanbod geen recht doen aan de juridische positie van de onderscheidenlijke schuldeisers, zoals dit geldt in het traject van de wettelijke schuldsanering en dat de schuldeisers in verhouding tot elkaar een ander bedrag krijgen aangeboden dan zij mochten verwachten bij een uitkering krachtens het wettelijke traject. Immers, uit het verzoekschrift en ter zitting is gebleken dat PSA buiten de aangeboden regeling is gehouden. Deze gang van zaken strookt volgens de rechtbank niet met de gedachte achter een minnelijke regeling. Uitgangspunt van een minnelijke regeling is immers dat schuldeisers met dezelfde rang naar rato van hun vordering uitgekeerd krijgen.
De rechtbank beschouwt de door de MDF verstrekte verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldsaneringsregeling te komen, onvoldoende met redenen omkleed.
Beroep
3.3
[appellanten] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voeren het volgende aan.
Het gesloten stelsel van de Faillissementswet biedt niet de mogelijkheid om, indien de rechtbank op grond van artikel 287 lid 2 Fw Pro de niet-ontvankelijkheid uitspreekt, van dit vonnis in hoger beroep te komen. [appellanten] zijn echter van mening dat in de onderhavige zaak de rechtbank met haar beslissing buiten het toepassingsgebied van dit artikel is getreden dan wel dit artikel ten onrechte heeft toegepast.
[appellanten] hebben, gelet op de werkzaamheden van [appellant], medio augustus 2011 een auto gekocht en gefinancierd bij PSA. De auto gold als onderpand voor de financiering. De schuld bij PSA bedroeg in december 2013 € 5.013,56. De dagwaarde van de auto is volgens ANWB-gegevens circa € 5.500,-. De hoogte van deze schuld staat, gelet op de dagwaarde, in geen verhouding met de vorderingen van andere schuldeisers, in het bijzonder met de grootste schuldeiser DSB. [appellanten] hebben geen achterstand in de betalingen aan PSA en de betalingen worden maandelijks verricht uit het vrij te laten bedrag.
[appellanten] erkennen dat de auto buiten beschouwing is gelaten bij het minnelijk traject. [appellanten] hebben PSA niet willen bevoordelen ten opzichte van de overige schuldeisers. De auto is buiten beschouwing gelaten met het oog op de arbeidsverplichting en de bredere/grotere mogelijkheid om te kunnen solliciteren. Verder blijft PSA gedurende de looptijd van de financieringsovereenkomst de juridische eigenaar van de auto. Zodra [appellanten] in gebreke zouden blijven bij het nakomen van de financieringsovereenkomst zal PSA conform haar algemene voorwaarden kunnen overgaan tot executie. [appellanten] zien niet in hoe de andere schuldeisers worden benadeeld als de auto wordt behouden. Immers, doordat [appellanten] beschikken over een auto worden de kansen op de arbeidsmarkt vergroot en uiteindelijk zijn alle schuldeisers erbij gebaat dat er zoveel mogelijk inkomen wordt gegenereerd.
Daarnaast was het voor [appellanten] duidelijk dat het minnelijk traject zou mislukken. De grootste schuldeiser, de DSB Bank met een vordering van € 45.000,-, had immers kenbaar gemaakt niet in te stemmen met het minnelijk traject. Het minnelijk traject zou hierdoor niet slagen, de auto speelde hierin geen rol.
[appellanten] voeren aan dat de rechtbank zich ten onrechte heeft gefocust op de vordering van PSA. De rechtbank heeft niet gemotiveerd uiteengezet waarom de afwijzing van het minnelijk traject door de grootste schuldeiser, te weten de DSB Bank, anders zou zijn geweest indien de vordering van PSA wel was meegenomen in het aanbod. Uitputtend is onderzocht of tussen schuldeisers en [appellanten] een minnelijke regeling kon worden getroffen.
Oordeel van het hof
3.4
Het hof is van oordeel dat het vonnis van de rechtbank dient te worden verstaan als een afwijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuld aan PSA, inzake de lening voor een auto, is weliswaar door [appellanten] buiten de minnelijke regeling gehouden, maar in het beroepschrift en ter zitting hebben zij hiervoor een deugdelijke verklaring gegeven. Van het ontbreken van gegevens als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro f Fw kan derhalve niet worden gesproken.
3.5
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw kan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaren ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest. Het ligt op de weg van de schuldenaren om dit met betrekking tot elk van de schulden aannemelijk te maken.
3.6
Het hof is van oordeel dat in hoger beroep aannemelijk is geworden dat [appellanten] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest. Het hof overweegt daartoe als volgt.
3.7
Het hof overweegt dat [appellant] ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij de auto gaat verkopen en dat de vordering van PSA bij de schuldsaneringsregeling zal worden betrokken. Derhalve zal de opbrengst van de auto ten goede komen aan de schuldeisers. De overige schulden van [appellanten] zijn naar het oordeel van het hof eveneens niet aan te merken als schulden die niet te goede trouw zijn ontstaan. Weliswaar hebben [appellanten] in het verleden minder gelukkige keuzes gemaakt, maar deze keuzes dienen er niet toe te leiden dat zij niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het grootste deel van de schulden is ontstaan door verlies van werk.
Slotsom
3.8
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat beslist moet worden als volgt.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 29 april 2014 en, opnieuw recht doende:
verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellanten];
verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, ter uitvoering van die regeling.
Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. I. Tubben en mr. A.W. Jongbloed en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2014.