Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellante 1],
2. [appellante 2],
3. [appellante 3],
4. [appellant 1],
5. [appellant 2],
6. [appellant 3],
7. [appellante 4],
8. [appellante 5],
9. [appellant 4],
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
thansgeen onvoorwaardelijke indexering van de pensioenaanspraken van [appellant 1] en [appellant 4] toelaat. Daarbij betrekt het hof, dat het bij het tussenarrest van 26 mei 2009 - dus bijna vijf jaar geleden - heeft geoordeeld dat Foodconsult bij [appellant 1] en [appellant 4] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij een onvoorwaardelijk recht op indexering hadden, zodat Foodconsult sindsdien rekening had kunnen houden met een mogelijke verplichting tot onvoorwaardelijke indexering - namelijk wanneer zij niet in het aan haar opgedragen bewijs zou slagen - en daarvoor een voorziening had kunnen treffen.
Het overbruggingspensioen is verzekerd op basis van de voor Oorste AOW, hetgeen niet overeenstemt met hetgeen staat aangegeven in het pensioenreglement. Dit is inmiddels doorgegeven aan het Vakcentrum.”)en naar de verklaring van Vakcentrum c.s. dat het er naar uitziet dat een en ander verkeerd is gegaan. Volgens [appellanten] hebben vijf appellanten ([appellanten], [appellant 2], [appellante 4], [appellante 5] en [appellant 4]) nadien nog van Centraal Beheer een pensioenoverzicht ontvangen, waarop een overbruggingspensioen is vermeld dat vergelijkbaar is met het overzicht dat volgens Centraal Beheer onjuist is. De andere vier appellanten zouden helemaal geen pensioenoverzicht meer hebben ontvangen ([appellante 2], [appellante 3], [appellant 1] en [appellant 3]).