Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant],
[appellanten],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten zijn in eerste aanleg toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank heeft de toepassing van deze regeling tussentijds beëindigd omdat zij feiten en omstandigheden had vastgesteld die reeds bij het verzoek tot toelating bestonden en die tot afwijzing hadden moeten leiden. Dit betrof met name een hogere schuldenlast dan opgegeven en het structureel niet betalen van verzekeringspremies aan Salland Verzekeringen.
Appellanten stelden in hoger beroep dat zij onvoldoende middelen hadden om de premies te betalen en dat zij maatregelen hadden genomen om verdere schulden te voorkomen. Zij voerden ook aan dat de gedragsnorm in artikel 288 Fw Pro rekening houdt met alle omstandigheden en dat zij goed meewerkten aan de regeling.
Het hof constateerde echter dat appellanten tijdens de regeling nieuwe schulden hadden laten ontstaan bij diverse schuldeisers, waaronder het CJIB en Salland, en dat zij hun toezeggingen aan de bewindvoerder niet waren nagekomen. Daarnaast was gebleken dat appellanten hun sollicitatie- en informatieverplichtingen niet naar behoren hadden nageleefd, ondanks waarschuwingen van de bewindvoerder.
Gezien de ernst van deze schendingen van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling oordeelde het hof dat de regeling terecht tussentijds is beëindigd. Het subsidiaire verzoek tot verlenging van de regeling onder budgetbeheer werd eveneens afgewezen omdat niet aannemelijk was dat appellanten hun verplichtingen dan wel zouden nakomen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Overijssel van 3 februari 2014 en wees het verzoek tot heropening toe om appellanten alsnog hun aanwezigheidrecht te laten uitoefenen, maar appellanten waren niet verschenen bij de zitting van 28 augustus 2014.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en wijst het verzoek tot verlenging af.