De betrokkene had beroep ingesteld tegen een inleidende beschikking van een WAHV-sanctie, maar dit beroep werd door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De kantonrechter bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring. De betrokkene stelde dat hij zich wegens ziekte had afgemeld voor de zitting en dat hij een nieuwe oproeping zou ontvangen, hetgeen het hof aannemelijk achtte.
Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en gaf de betrokkene de gelegenheid zijn bezwaren toe te lichten. Uit de stukken blijkt dat de betrokkene zijn beroepschrift te laat had ingediend bij de RDW in plaats van bij het bevoegde orgaan, de CVOM. De brief van 16 september 2012 werd wel als beroepschrift aangemerkt, maar was te laat ingediend.
De betrokkene voerde werkdruk als reden aan voor de termijnoverschrijding, maar het hof oordeelde dat dit geen verschoonbare reden was. De niet-ontvankelijkverklaring door de officier van justitie bleef daarom terecht in stand en het beroep werd ongegrond verklaard.
Omdat de betrokkene op 16 september 2012 beroep had ingesteld, was de tweede sanctieverhoging ten onrechte ingegaan en werd deze door de advocaat-generaal ongedaan gemaakt. Het hof veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de reiskosten van de betrokkene voor de zitting in hoger beroep.