ECLI:NL:GHARL:2014:7913

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 oktober 2014
Publicatiedatum
15 oktober 2014
Zaaknummer
21-001237-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel van €228.007

In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Overijssel bevestigd, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €228.007 is toegewezen. De veroordeelde had hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Tijdens de terechtzitting op 3 oktober 2014 heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de standpunten van de veroordeelde en zijn raadsman. Het hof oordeelde dat de rechtbank op juiste gronden had beslist en bevestigde het vonnis met overneming van de gronden.

De raadsman verzocht om de terugbetalingsverplichting te beperken tot een bedrag dat redelijkerwijs betaalbaar is naast overige schulden. Dit draagkrachtverweer werd door het hof verworpen, mede gelet op de strafbeslissing in de hoofdzaak. Het hof overwoog dat niet aannemelijk was dat de veroordeelde nu of in de toekomst onvoldoende financiële draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen.

Het hof wees erop dat eventuele toekomstige omstandigheden met betrekking tot draagkracht in de executiefase kunnen worden ingebracht en opnieuw beoordeeld. De uitspraak werd op 17 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken door de meervoudige kamer voor strafzaken.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering van €228.007 en verwerpt het draagkrachtverweer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001237-14
Uitspraak d.d.: 17 oktober 2014
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 24 februari 2014 met parketnummer 07-996506-10 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 oktober 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman,
mr J. Vlug, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter – onder aanvulling van hetgeen hierna is overwogen – op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep met overneming van de gronden behoort te worden bevestigd.
Aanvulling
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de terugbetalingsverplichting vast te stellen op een bedrag dat redelijkerwijs, naast de overige schulden, kan worden betaald.
Het hof verwerpt het draagkrachtverweer van de raadsman en overweegt het volgende.
Naar het oordeel van het hof is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen de in de hoofdzaak genomen strafbeslissing.
Eventuele toekomstige omstandigheden met betrekking tot de draagkracht van veroordeelde kunnen voorts door of namens hem in de executiefase naar voren worden gebracht, waarna deze omstandigheden in die fase (opnieuw) kunnen worden beoordeeld.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr J.P. Bordes, voorzitter,
mr P. van Kesteren en mr F.G. Bauduin, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr E.C.M. Steeghs, griffier,
en op 17 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.