ECLI:NL:GHARL:2014:8036

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 oktober 2014
Publicatiedatum
21 oktober 2014
Zaaknummer
200.156.364-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 292 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord in hoger beroep

Appellante heeft bij de rechtbank Overijssel een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet, dat werd afgewezen. In hoger beroep heeft zij verzocht dit vonnis te vernietigen en Rabobank te dwingen in te stemmen met de schuldregeling.

Het hof heeft overwogen dat een schuldeiser in beginsel vrij is zijn medewerking aan een schuldregeling te weigeren, zeker wanneer het belang van de schuldeiser groot is. Appellante bood een regeling aan waarbij preferente schuldeisers 2,79% en concurrente schuldeisers 1,40% van hun vordering zouden ontvangen. Rabobank, met een vordering van bijna 85% van de totale schuld, zou slechts 1,40% ontvangen en heeft geweigerd.

Het hof oordeelde dat Rabobank in redelijkheid tot weigering heeft kunnen komen gezien haar grote financieel belang en het geringe uitkeringspercentage. Bovendien heeft appellante nagelaten aan te tonen dat zij het uiterste heeft geboden en ontbraken waarborgen die de Faillissementswet biedt bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.

Daarom werd het beroep van appellante afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer 200.156.364/01
(zaaknummer rechtbank 159541 FT RK 1000/14)
arrest van de derde civiele kamer van 16 oktober 2014
inzake
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen:
[appellante],
advocaat: mr. S. Kleerebezem, kantoorhoudende te Lelystad,
tegen
de coöperatie de coöperatieve Rabobank Meppel-Staphorst-Steenwijkerland,
gevestigd te Meppel,
hierna te noemen:
Rabobank
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders [gemachtigde],
geïntimeerde.

1.Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 15 september 2014 is het verzoek van [appellante] tot vaststelling van een dwangakkoord (ex artikel 287a Faillissementswet) afgewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 22 september 2014, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat Rabobank wordt gedwongen in te stemmen met de schuldregeling.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 3 oktober 2014, de brief met bijlagen van 6 oktober 2014 en drie afzonderlijke faxberichten van mr. Kleerebezem, alle van 7 oktober 2014 en alle met bijlage(n).
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
Hoewel behoorlijk opgeroepen is namens Rabobank niemand verschenen.

3.De beoordeling

Ontvankelijkheid
3.1
Gelet op het bepaalde in artikel 292, lid 3 Faillissementswet en het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012: BY0966) kan [appellante] in haar hoger beroep tegen de afwijzing van het dwangakkoord worden ontvangen, nu zij haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar bij de rechtbank heeft ingetrokken.
Wettelijk kader
3.2
Op grond van artikel 287a, vijfde lid, Fw dient het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling te worden toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Eerste aanleg
3.3
De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat - samengevat - Rabobank, op grond van haar grote belang in de totale schuldenlast en het geringe uitkeringspercentage, in redelijkheid tot de weigering heeft kunnen komen.
Beroep en verweer
3.4
[appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en komt daartegen in beroep.
3.5.
Van [gemachtigde], de gemachtigde van Rabobank, is in hoger beroep geen verweerschrift ontvangen.
Het oordeel van het hof
3.6
Het hof stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling - waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand doet van zijn recht op voldoening - te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen.
3.7
[appellante] heeft op of omstreeks 21 november 2013 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit aanbod houdt - samengevat weergegeven - het navolgende in: aan de
preferente schuldeisers is aangeboden op een termijn van 36 maanden 2,79 % van hun
vordering uit te betalen en aan de concurrente schuldeisers, eveneens op een termijn van
36 maanden, is aangeboden 1,40% van hun vordering te betalen tegen verlening door de
schuldeisers van finale kwijting. In beide gevallen is het voorstel gebaseerd op een prognose. Rabobank heeft niet ingestemd met het aanbod.
3.8
De totale schuldenlast van [appellante] bedraagt € 208.814,85. De schuld aan Rabobank bedraagt € 177.206,48. Vaststaat dat de schuldeiser die weigert in te stemmen met het aangeboden akkoord een financieel belang vertegenwoordigt van € 177.206,48.
Rabobank vertegenwoordigt daarmee bijna 85 % van de totale schuldenomvang en krijgt slechts 1,40 % van haar vordering uitgekeerd bij instemming met de schuldregeling. Onder
genoemde omstandigheden kan niet licht worden geoordeeld dat Rabobank in redelijkheid niet tot weigering heeft kunnen komen.
3.9
Bovendien is ter zitting gebleken dat niet vaststaat dat [appellante] met het aanbod het uiterste heeft geboden waartoe zij financieel in staat moet worden geacht. [appellante] heeft immers desgevraagd erkend dat zij een, naar haar stellige verwachting: vruchtbaar, beroep had kunnen doen op haar netwerk ten einde haar schuldeisers, waaronder de Rabobank, een beter aanbod te kunnen doen.
3.1
Daarnaast kent het hof betekenis toe aan het feit dat in de aangeboden schuldregeling de waarborgen ontbreken die de Faillissementswet in het kader van een wettelijke schuldsaneringsregeling biedt met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de inkomens- en vermogenspositie van [appellante] door de bewindvoerder en de rechter-commissaris en is er bij het akkoord geen maandelijkse controle op nakoming van de sollicitatie- en informatieplicht en geen postblokkade. Er vindt slechts jaarlijks een inkomenstoets plaats door de aanbieder van het akkoord.
Namens [appellante] is nog de stelling betrokken dat een wettelijke schuldsaneringsregeling minder gunstig voor de schuldeisers is, omdat daaraan ook kosten zijn verbonden zodat voor de schuldeisers een lager - of geen - bedrag overblijft. Aan die stelling gaat het hof voorbij. Immers, het hof dient tegen elkaar af te wegen, enerzijds het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Deze door de wet voorgeschreven afweging is van een andere orde en omvat meer dan slechts de vergelijking tussen de gevolgen van een dwangakkoord c.q. een schuldsaneringsregeling. Bovendien kan uit het hiervoor overwogene worden afgeleid dat het hof vraagtekens plaatst bij de feitelijke juistheid van deze op toekomstvoorspellingen gebaseerde stelling.
3.11
Nu [appellante] naar het oordeel van het hof ook overigens heeft nagelaten om specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen, dient het beroep van [appellante] te worden afgewezen.
3.12
Binnen het - beperkte - toetsingskader van de procedure van artikel 287a, vijfde lid, Fw kan [appellante] geen oordeel van het hof vragen over de rechtmatigheid van het vorderingsrecht van de Rabobank als zodanig. Het ligt op de weg van [appellante] om, in een andere procedure, de vordering van de Rabobank te betwisten.
3.13
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat Rabobank op grond van haar grote belang in de totale schuldenlast en het geringe uitkeringspercentage in redelijkheid tot de weigering heeft kunnen komen.
Slotsom
3.14
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van
15 september 2014.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. G.M. van der Meer en mr. W. Foppen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 oktober 2014.