Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
Rabobank
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante heeft bij de rechtbank Overijssel een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet, dat werd afgewezen. In hoger beroep heeft zij verzocht dit vonnis te vernietigen en Rabobank te dwingen in te stemmen met de schuldregeling.
Het hof heeft overwogen dat een schuldeiser in beginsel vrij is zijn medewerking aan een schuldregeling te weigeren, zeker wanneer het belang van de schuldeiser groot is. Appellante bood een regeling aan waarbij preferente schuldeisers 2,79% en concurrente schuldeisers 1,40% van hun vordering zouden ontvangen. Rabobank, met een vordering van bijna 85% van de totale schuld, zou slechts 1,40% ontvangen en heeft geweigerd.
Het hof oordeelde dat Rabobank in redelijkheid tot weigering heeft kunnen komen gezien haar grote financieel belang en het geringe uitkeringspercentage. Bovendien heeft appellante nagelaten aan te tonen dat zij het uiterste heeft geboden en ontbraken waarborgen die de Faillissementswet biedt bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.
Daarom werd het beroep van appellante afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.