Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.Te laat ingediende stukken
4.De vaststaande feiten
5.De omvang van het geschil
6.De motivering van de beslissing
= € 8,50
= € 21,80
= afgerond € 24,70
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben drie kinderen, waarvan twee minderjarig en één jongmeerderjarig. De rechtbank had bij beschikking van 27 november 2013 de echtscheiding uitgesproken en alimentatie vastgesteld. De man ging in hoger beroep tegen de vastgestelde kinder- en partneralimentatie.
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de man per 1 januari 2014 werkloos werd en een WW-uitkering ontving, wat zijn draagkracht beïnvloedde. Het hof onderzocht de behoefte van de minderjarige kinderen, waarbij ook de jongmeerderjarige dochter die studeert en werkt werd betrokken bij de berekening van de behoefte. De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn inkomen vóór en na werkloosheid, rekening houdend met fiscaal voordeel.
De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op basis van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering en de kosten van de kinderen. Het hof oordeelde dat de man voldoende draagkracht had om bij te dragen in zowel de kosten van verzorging en opvoeding van het kind als in het levensonderhoud van de vrouw. De zorgkorting werd toegepast vanwege het contact tussen de man en het kind.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde nieuwe maandelijkse bijdragen vast voor kinder- en partneralimentatie, met verschillende bedragen voor perioden vóór en na de wijziging van het inkomen van de man. De bijdragen dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt nieuwe kinder- en partneralimentatiebedragen vast, rekening houdend met gewijzigde inkomenssituatie en behoeften.