Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de vaststelling van de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van zijn kind na ontbinding van het huwelijk. De rechtbank had eerder een bijdrage van €273 per maand vastgesteld, maar de man ging hiertegen in hoger beroep vanwege gewijzigde financiële omstandigheden.
Het hof beoordeelde de behoefte van het kind op basis van het netto inkomen van de man in 2012, wat hoger was dan het gezinsinkomen tijdens het huwelijk, en stelde de behoefte vast op €193 per maand tot 15 augustus 2013. Vanaf die datum werd rekening gehouden met het kindgebonden budget, waardoor de behoefte daalde tot €89.
De draagkracht van de man werd per periode berekend, waarbij rekening werd gehouden met zijn inkomen, lasten zoals huur en premies, en noodzakelijke aflossingen van huwelijkse schulden. Voor de periode na 15 augustus 2013 werd een minimale draagkracht van €25 per maand vastgesteld, ondanks het ontbreken van draagkracht voor een hogere bijdrage. De zorgkorting werd niet toegepast vanwege het tekort aan draagkracht.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en bepaalde de alimentatiebedragen conform deze berekeningen, terwijl het verzoek tot hogere bijdragen werd afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd vanwege de aard van de procedure en de relatie tussen partijen.
Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €193 per maand tot 15 augustus 2013 en €25 per maand vanaf die datum, rekening houdend met gewijzigde omstandigheden.