Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar werd in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek niet aan de wettelijke vereisten voldeed. In hoger beroep stelde appellant dat zij alle gevraagde stukken had overgelegd en dat de ontbrekende stukken waren toegevoegd.
Het hof oordeelde dat er geen reële mogelijkheden waren voor appellant om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen en dat zij voldoende toelichting gaf over het ontstaan van haar schulden. Hoewel de preferente belastingschuld niet te goeder trouw was ontstaan, oordeelde het hof dat de overige schulden wel te goeder trouw waren.
Op grond van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Fw Pro werd vastgesteld dat appellant de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle had gekregen en een ommekeer ten goede had gemaakt. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de schuldsaneringsregeling van toepassing, waarna de zaak werd verwezen voor verdere afdoening.
Uitkomst: Het hof verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op appellant en vernietigt het vonnis van de rechtbank.